Vergelijking Consensusnota van de Klinisch psychologen
 en het Wetsvoorstel Vandenberghe e.a. en het Wetsvoorstel Mayeur e.a./Cornil & Vienne

 

De volledige teksten kunnen geraadpleegd worden via de link onder de titel.
We beperken ons in deze vergelijking tot de voor psychologen meest relevante gedeelten.

 

 

Het volledige KB78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorg beroepen.

Consensustekst

Wetsvoorstel Vandenberghe e.a.

Wetsvoorstel Mayeur e.a./Cornil &Vienne

 

 

 

Deontologie

(Noot: Art. 21duodevicies betreft de klinisch psychologen)

 

1. De psycholoog is een des­kundige die een hulp­verleningsrelatie aanbiedt met een eigen en uniek ka­rakter door de strikte ver­trouwelijkheid, het respect voor de persoon en de af­wezigheid van veroorde­ling.

 

Art 2. ../.. Voor elk van die beroepen gelden de al dan niet op schrift gestelde gedrags- en beroepsregels die door de vertegenwoordigers ervan zijn opgesteld.

2. In de samenwerking met andere zorgverleners waakt de psycholoog erover dat zijn professionele onafhankelijkheid gerespecteerd wordt en ook hijzelf deze van de anderen respecteert. 

-Art. 6. wijzigt -Art. 10. van KB78 in:” Het is verboden de regelmatige en normale uitoefening van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde of de klinische psychologie door een persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, door feitelijkheden of geweld te verhinderen of te belemmeren.”

-Art. 7. wijzigt Art. 11. van KB78 in:”Aan de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies mogen geen reglemen­taire beperkingen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden, hetzij voor het stellen van de diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behan­deling, hetzij voor het uitvoeren van magistrale bereidingen.”

-Art. 8. wijzigt Art 12 van KB78 in: “Worden beschouwd als niet geschreven zijnde in de overeenkomsten gesloten door de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4,  21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies, de bepalingen die hun keuzevrijheid bedoeld bij artikel 11 schenden.”

-Art.12 wijzigt Art 18, §2 van KB78 in: “Onverminderd de bepalingen van de artikelen 15 en 17 is verboden elke overeenkomst van welke aard ook gesloten hetzij tussen de beoefenaars, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 21bis, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies, hetzij tussen deze beoefenaars en derden, inzonderheid producenten van farmaceutische producten of leveranciers van geneeskundige of protheseapparaten, wanneer deze overeenkomst betrekking heeft op hun beroep en ertoe strekt aan de een of de ander rechtstreeks of onrechtstreeks winst of voordeel te verschaffen. (W. 06.04.1995, art.8)”

-Art 13 wijzigt Art 19 van KB78 in “Het is aan elke beoefenaar bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 of 21bis,  21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies verboden op om het even welke wijze zijn medewerking te verlenen aan een derde of als naamlener voor hem op te treden, met het doel hem te onttrekken aan de straffen waarmede de onwettige uitoefening van de geneeskunde of de artsenijbereid­kunde gestraft wordt. (W. 06.04.1995, art. 9)

 

3. De psycholoog draagt volledige verantwoor­de­lijkheid over zijn activi­tei­ten. Hij gaat een inspan­ningsverbintenis aan en geen resultaatsverbin­te­nis. Hij houdt rekening met de beperkingen van zijn competentie.

-Art. 2. § 4. Zonder afbreuk te doen aan het begrip geneeskunst wordt beschouwd als uitoefening van de klinische psychologie:

het gewoonlijk verrichten van autonome handelingen die tot doel hebben de preventie, het onderzoeken, het opsporen, het stellen van een diagnose van psychisch of psychosomatisch lijden bij mensen, en hun behandeling of begeleiding. Om de mogelijkheid van somatische problematiek te laten vaststellen of uitsluiten draagt de beroepsbeoefenaar op elk moment de verantwoor­delijkheid te beslissen of de patiënt uitgenodigd moet worden om een arts te consulteren.

-Art 2 voegt in een nieuw hoofdstuk III volgende bepaling toe:
Art. 35quinquies decies. ­ § 1. Onder « uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg » wordt verstaan de gebruikelijke verrichting van autonome handelingen inzake preventie, onderzoek, opsporing, diagnosestelling, verzorging en begeleiding van lijden van psychische oorsprong of van psychisch lijden dat verband houdt met een somatische aandoening.

Die uitoefening impliceert, zo nodig en zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking tussen de diverse beroepsbeoefenaren die in de gezondheidszorg actief zijn.

§ 2. De Koning kan, nadat Hij het advies van de in artikel 35septies decies bedoelde Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen, de in § 1 bedoelde handelingen nader omschrijven en de voorwaarden voor de uitvoering ervan bepalen

4. De psycholoog draagt de verant­woordelijkheid om de continuïteit te ver­ze­keren van de profes­si­onele zorg­verlening aan de cliënt, met inbegrip van de samen­werking met andere beroepen.

-Art. 4. wijzigt Art 8 §1 van KB78 in “De in de artikelen 2, 3, 21bis, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies bedoelde beoefenaars mogen, wetens en zonder wettige reden in hunnen hoofde, een in uitvoering zijnde behandeling niet onderbreken zonder vooraf alle maatregelen te hebben getroffen om de continuïteit van de zorgen te verzekeren door een ander beoefenaar die dezelfde wettelijke kwalificatie heeft. (W. 06.04.1995, art. 5, § 1er.)

Art 2.  ../.. Die uitoefening impliceert, zo nodig en zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking tussen de diverse beroepsbeoefenaren die in de gezondheidszorg actief zijn.

 

 

 

Het autonoom functioneren

 

 

1. Elke patiënt moet de mogelijkheid hebben om rechtstreeks een klinisch psycholoog te raadple­gen om door deze vanuit de psychologische disci­pline geholpen te kunnen worden (diagnostiek, in­dicatiestelling, advies en behandeling).

-Art. 2. § 4. Zonder afbreuk te doen aan het begrip genees­kunst wordt beschouwd als uitoefening van de klinische psy­chologie:

het gewoonlijk verrichten van autonome handelingen die tot doel hebben de preventie, het onderzoeken, het opsporen, het stellen van een diagnose van psychisch of psychosomatisch lijden bij mensen, en hun behandeling of begeleiding. Om de mogelijkheid van somatische problematiek te laten vaststellen of uitsluiten draagt de beroepsbeoefenaar op elk moment de verantwoor­delijkheid te beslissen of de patiënt uitgenodigd moet worden om een arts te consulteren.

Vermits het wetsvoorstel Vandenberghe het wetsontwerp Tavernier overneemt is een vroegere fout blijven staan. De ontwerpbundel Tavernier droeg de kenmerken van een tekst die herhaald herwerkt is. Na het advies van de Raad van State heeft men de ‘Memorie van toelichting’ én de tekst van het  ‘Wetsontwerp’ aangepast, maar heeft men nagelaten om de ‘Toelichting bij de artikelen’ aan te passen. In de toelichting bij de artikelen staat nog de vorige versie “ De beoefenaar neemt hierbij de verantwoordelijkheid te beslissen of de patiënt moet worden uitgenodigd een arts te consulteren om het bestaan of het ontwikkelen van een pathologische toestand te laten vaststellen of uitsluiten.” Het is evident dat deze tekst nog dateert vanuit de ontwerpfase waarin onderscheid gemaakt werd tussen ‘probleem’ en ‘stoornis’ en samenwerking verplicht was bij elke stoornis. In de memorie van toelichting staat echter duidelijk welke aanpassingen er gekomen zijn nà het advies van de Raad van State, zodat over de chronologie van de aanpassingen geen onduidelijkheid kan bestaan. In de Memorie van toelichting van het wetsontwerp Aelvoet staat (pag. 4) “Hoewel de klinisch psycholoog gemachtigd is tot het stellen van een psychologische diagnostiek, is hij niet gevormd tot het stellen van een fysiologische diagnostiek. Wanneer bepaalde aspecten van de vastgestelde psychische problemen laten vermoeden dat ze verbonden zijn aan een biomedische factor behoort het tot de verantwoordelijkheid van de klinisch psycholoog de patiënt uit te nodigen een arts te raadplegen.” En verder op pag. 5 staat “Gegeven dat een belangen­conflict onwenselijk is, dat de enige bedoeling van dit onderscheid [d.i. tussen ‘probleem’ en ‘stoornis’] het voorzorgsprincipe was en dat de wens van de patiënt in alle gevallen gerespecteerd moet worden, gaat de voorkeur uit naar het definiëren van het domein van activiteiten in één luik waarbij voorzien wordt dat, wanneer hij dit nodig acht, de klinisch psycholoog de verantwoordelijkheid draagt  de patiënt uit te nodigen om een arts te consulteren.”

-Art. 2. Art. 21duodevicies § 5. De Koning kan de onder §4 bedoelde handelingen en de voorwaarden waaronder zij moeten worden uitgevoerd bepalen.”.

-Art. 10. wijzigt Art 15 van KB78 in “Onverminderd de bepalingen van artikel 18, § 2 hebben de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies, mits eerbiediging van de regelen van de plichtenleer, recht op honoraria of forfaitaire bezoldigingen voor de door hen geleverde prestaties.
Onverminderd de toepassing van bedragen welke eventueel zijn vastgesteld door of krachtens de wet of voorzien bij statuten of overeenkomsten waartoe de beoefenaars zijn toegetreden, bepalen deze vrij het bedrag van hun honoraria, onder voorbehoud van de bevoegdheid, in geval van betwisting, van de Orde waaronder zij ressorteren of van de rechtbanken.
Indien algemene criteria terzake zijn vastgesteld door de bevoegde nationale paritaire commissie, voorzien bij het koninklijk besluit nr. 47 van 24 oktober 1967, tot instelling van een nationale paritaire commissie geneesheren-ziekenhuizen en tot vaststelling van het statuut van de nationale paritaire commissies voor andere beoefenaars van de geneeskunst of voor andere categorieën van inrichtingen, alsmede van de gewestelijke paritaire commissies, en algemeen bindend verklaard door de Koning, op grond van artikel 8 van dat besluit, moeten hogergenoemde statuten en overeenkomsten daarmee conform zijn.

-Art. 11. wijzigt Art 17 van KB78 in: “Onverminderd de bepalingen van artikel 18, § 2, wanneer een beoefenaar bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4, 21duodevicies, 21vicies of 21bis et vicies voor de uitoefening van zijn beroep personeel, lokalen en materieel gebruikt, dat niet voor het geheel voorwerp waren of zijn van een betaling ten welke andere titel ook en die ter beschikking zijn gesteld van de beoefenaar door een derde persoon, worden de voorwaarden voor dit gebruik bepaald in een statuut of een uitdrukkelijke overeenkomst tussen deze beoefenaar en de derde.

Indien algemene criteria terzake zijn vastgesteld door de bevoegde nationale paritaire commissie, voorzien bij het koninklijk besluit nr. 47 van 24 oktober 1967 tot instelling van een nationale paritaire commissie geneesheren-ziekenhuizen en tot vaststelling van het statuut van de nationale paritaire commissies voor andere beoefenaars van de geneeskunst of voor andere categorieën van inrichtingen, alsmede van de gewestelijke paritaire commissies, en algemeen bindend verklaard door de Koning, op grond van artikel 8 van dat besluit, moet het statuut of de overeenkomst bedoeld bij vorig lid daarmee conform zijn.”

-Art 2 voegt in een nieuw hoofdstuk III volgende bepaling toe:
Art. 35quinquies decies. ­ § 1. Onder « uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg » wordt verstaan de gebruikelijke verrichting van autonome handelingen inzake preventie, onderzoek, opsporing, diagnosestelling, verzorging en begeleiding van lijden van psychische oorsprong of van psychisch lijden dat verband houdt met een somatische aandoening.

Die uitoefening impliceert, zo nodig en zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking tussen de diverse beroepsbeoefenaren die in de gezondheidszorg actief zijn.

§ 2. De Koning kan, nadat Hij het advies van de in artikel 35septies decies bedoelde Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen, de in § 1 bedoelde handelingen nader omschrijven en de voorwaarden voor de uitvoering ervan bepalen

2. Elke arts of gezond­heidswerker moet de mogelijkheid hebben om rechtstreeks naar de klinisch psycholoog te verwijzen. 

Aangezien elke patiënt rechtstreeks een klinisch psycholoog kan raadplegen, kan er ook rechtstreeks naar deze doorverwezen worden. Uiteraard zal de klinisch psycholoog ook in deze gevallen de verantwoordelijkheid hebben om bij doorverwijzing door een niet-arts eventueel een consult bij een arts te adviseren om eventuele somatische problematiek te laten vaststellen of uitsluiten.

Onder « uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg » wordt verstaan de gebruikelijke verrichting van autonome handelingen inzake preventie, onderzoek, opsporing, diagnosestelling, verzorging en begeleiding van lijden van psychische oorsprong of van psychisch lijden dat verband houdt met een somatische aandoening.

3. De klinisch psycholoog moet vrij zijn in de keuze van zijn methoden en technieken.

-Art. 6. wijzigt Art. 10. van KB78 in:” Het is verboden de regelmatige en normale uitoefening van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde of de klinische psychologie door een persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, door feitelijkheden of geweld te verhinderen of te belemmeren.”

-Art. 7. wijzigt Art. 11. van KB78 in:”Aan de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies mogen geen reglemen­taire beperkingen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden, hetzij voor het stellen van de diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behan­deling, hetzij voor het uitvoeren van magistrale bereidingen.”

-Art. 8. wijzigt Art 12 van KB78 in: “Worden beschouwd als niet geschreven zijnde in de overeenkomsten gesloten door de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies, de bepalingen die hun keuzevrijheid bedoeld bij artikel 11 schenden

 

4. De klinisch psycholoog moet de vrijheid hebben om een hulpverlenings­relatie aan te gaan waarvan hij zelf de vorm en intensiteit bepaalt en deze professionele relatie te beëindigen na de nodige maatregelen genomen te hebben op het vlak van hulp in nood en continuïteit van de zorgen.

 

-cfr vorig punt

-Art. 4. wijzigt Art 8 §1 van KB78 in “De in de artikelen 2, 3, 21bis, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies bedoelde beoefenaars mogen, wetens en zonder wettige reden in hunnen hoofde, een in uitvoering zijnde behandeling niet onderbreken zonder vooraf alle maatregelen te hebben getroffen om de continuïteit van de zorgen te verzekeren door een ander beoefenaar die dezelfde wettelijke kwalificatie heeft. (W. 06.04.1995, art. 5, § 1er.)

-Art. 5  wijzigt Art. 9 van KB78 in “De representatieve beroepsverenigingen van de beoefenaars, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 21bis, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies, of de te dien einde opgerichte groeperingen mogen wachtdiensten instellen, die de bevolking een regelmatige en normale toediening van de gezondheids­zorgen, zowel in het ziekenhuis als ten huize waarborgen. Geen enkele beoefenaar, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 21bis, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies, die voldoet aan de vereiste voorwaarden kan uitgesloten worden van deze wachtdiensten, op voorwaarde dat hij/zij het huis­houdelijk reglement onderschrijft en zich houdt aan de deonto­logische regels. (W. 25.01.1999, art. 189, A) (W. 06.04.1995, art. 6.)
De in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde verenigingen of groeperingen delen aan de bevoegde geneeskundige commissie de door hen opgestelde wachtrol mede alsook elke wijziging die er zou aangebracht worden en een huishoudelijk reglement. (L. 25.01.1999, art. 189, B)
De Koning kan de door Hem bepaalde opdrachten in verband met de lokale organisatie en de vertegenwoordiging van de betrokken beroepsbeoefenaars, en in verband met de samenwerking met andere beroepsbeoefenaars in de gezondheidezorg, toevertrouwen aan de verenigingen of de groeperingen bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat ze daarvoor erkend worden. De voorwaarden en de procedure voor het verkrijgen van de erkenning worden vastgesteld door de minister die de Volksgezondheid in zijn bevoegdheid heeft. (W. du 10.08.2001; art 31 - alinea 3)

-Art. 9. voegt aan Art. 13. van KB78 volgende tekst toe: "§ 3. Elke in artikel 21duodevicies bedoelde beoefenaar is ertoe gehouden, op verzoek of met instemming van de patiënt, aan een andere behandelende beoefenaar van de klinische psychologie, aangewezen door de patiënt om een in artikel 21duodevicies, §4, bedoelde handeling te volgen of aan te vullen, alle nuttige en nodige inlichtingen van psychologische aard mee te delen die hem betreffen.

§ 4. Elke in artikel 21vicies bedoelde beoefenaar is ertoe gehouden, op verzoek of met instemming van de patiënt, aan een andere behandelende beoefenaar van de klinische seksuologie, aangewezen door de patiënt om een in artikel 21vicies, § 4, bedoelde handeling te volgen of aan te vullen, alle nuttige en nodige inlichtingen van psychologische aard mee te delen die hem betreffen.

§5. Elke in artikel 21bis et vicies bedoelde beoefenaar is ertoe gehouden, op verzoek of met instemming van de patiënt, aan een andere behandelende beoefenaar van de klinische orthopedagogiek, aangewezen door de patiënt om een in artikel 21bis et vicies, §4, bedoelde handeling te volgen of aan te vullen, alle nuttige en nodige inlichtingen van psychologische aard mee te delen die hem betreffen. »

 

5. De klinisch psycholoog oordeelt zelf wanneer de tussenkomst van andere disciplines dient geadvi­seerd of zelfs ingeroe­pen te worden. Binnen zijn deontologisch han­de­len houdt hij hierbij reke­ning met de wensen van de patiënt, met de haal­baarheid binnen de hulp­verlenings­relatie en met de grenzen van zijn com­petentie.

-Art. 2. § 4. Zonder afbreuk te doen aan het begrip geneeskunst wordt beschouwd als uitoefening van de klinische psychologie:

het gewoonlijk verrichten van autonome handelingen die tot doel hebben de preventie, het onderzoeken, het opsporen, het stellen van een diagnose van psychisch of psychosomatisch lijden bij mensen, en hun behandeling of begeleiding. Om de mogelijkheid van somatische problematiek te laten vaststellen of uitsluiten draagt de beroepsbeoefenaar op elk moment de verantwoor­delijkheid te beslissen of de patiënt uitgenodigd moet worden om een arts te consulteren.
-Zie ook bespreking punt 1. van het “autonoom functioneren” van de consensustekst.

-Art 2 voegt in een nieuw hoofdstuk III volgende bepaling toe:
Art. 35quinquies decies. ­ § 1. Onder « uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg » wordt verstaan de gebruikelijke verrichting van autonome handelingen inzake preventie, onderzoek, opsporing, diagnosestelling, verzorging en begeleiding van lijden van psychische oorsprong of van psychisch lijden dat verband houdt met een somatische aandoening.

Die uitoefening impliceert, zo nodig en zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking tussen de diverse beroepsbeoefenaren die in de gezondheidszorg actief zijn.

§ 2. De Koning kan, nadat Hij het advies van de in artikel 35septies decies bedoelde Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen, de in § 1 bedoelde handelingen nader omschrijven en de voorwaarden voor de uitvoering ervan bepalen

 

 

 

De horizontale samenwerking

 

 

1. Aandacht hechtend aan zowel de psy­cho­lo­gische, biologische en sociale aspecten van de gezondheid van de pa­tiënt, zal de psycholoog, telkens zich de noodzaak voordoet, een samen­­wer­king aangaan met des­kundigen van andere vereiste disciplines. Deze samenwerking kan ver­scheidene vormen aan­nemen. In een zelfde si­tu­atie van zorgverstrek­king kunnen meerdere disciplines gecoör­dineerd optreden bij de diagnose­stelling en/of bij de thera­peutische interventies. Deze samenwerking kan ook de vorm aannemen van overleg, intervisie, advies- of informa­tiever­strekking, verwijzing, of afspraken tussen zorg­verstrekkers over een we­derzijdse persoonlijke beschikbaarheid.

-Art. 2. § 4. Zonder afbreuk te doen aan het begrip geneeskunst wordt beschouwd als uitoefening van de klinische psychologie:

het gewoonlijk verrichten van autonome handelingen die tot doel hebben de preventie, het onderzoeken, het opsporen, het stellen van een diagnose van psychisch of psychosomatisch lijden bij mensen, en hun behandeling of begeleiding. Om de mogelijkheid van somatische problematiek te laten vaststellen of uitsluiten draagt de beroepsbeoefenaar op elk moment de verantwoor­delijkheid te beslissen of de patiënt uitgenodigd moet worden om een arts te consulteren.
-Zie ook bespreking punt 1. van het “autonoom functioneren” van de consensustekst.

-Art 14 wijzigt Art. 22. 1° van KB78 als volgt:

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder uitoefening van een paramedisch beroep:

het gewoonlijk verrichten door andere personen dan deze bedoeld bij artikel 2, § 1 en de artikelen 3, 4, 21bis, 21quater 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies van technische hulpprestaties die verband houden met het stellen van de diagnose of met het uitvoeren van de behandeling, zoals zij nader bepaald zullen kunnen worden in uitvoering van artikel 23;

 

-Art 2 voegt in een nieuw hoofdstuk III volgende bepaling toe:
Art. 35quinquies decies. ­ § 1. Onder « uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg » wordt verstaan de gebruikelijke verrichting van autonome handelingen inzake preventie, onderzoek, opsporing, diagnosestelling, verzorging en begeleiding van lijden van psychische oorsprong of van psychisch lijden dat verband houdt met een somatische aandoening.

Die uitoefening impliceert, zo nodig en zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking tussen de diverse beroepsbeoefenaren die in de gezondheidszorg actief zijn.

§ 2. De Koning kan, nadat Hij het advies van de in artikel 35septies decies bedoelde Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen, de in § 1 bedoelde handelingen nader omschrijven en de voorwaarden voor de uitvoering ervan bepalen

2. De klinisch psycholoog aanvaardt dat de zorg­verleners van de andere disciplines waarmee hij samenwerkt, binnen hun competentiegebied auto­noom functioneren net zoals de klinisch psycho­loog dit voor zichzelf no­dig acht.

 

 

 

 

 

Besluit

 

 

De klinische psychologie kan een belangrijke bij­dra­ge leveren voor de volksgezondheid. Ze kan die rol slechts op een kwa­litatieve wijze vervul­len in het kader van een wettelijk statuut dat de kli­nisch psycholoog toe­laat om autonoom te func­tioneren binnen zijn eigen domein en om te functioneren binnen een horizontale samenwer­king met andere disci­pli­nes in respect voor el­kaars competentie. Een dergelijk statuut vereist erkenningscriteria en een registratiesysteem voor beoefenaars van de kli­nische psychologie. Bij vragen of geschillen in­zake de beroepsuitoefe­ning van de klinisch psy­choloog moet met het oog op het bewaken en be­vor­deren van de kwaliteit beroep kunnen gedaan worden op een deontolo­gische commissie waar­van de leden opgeleid zijn om de problematiek vanuit een klinisch psy­chologisch kader te evalueren.

-Art.2. In het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de gezondheidszorg-beroepen, gewijzigd bij …/… wordt een hoofdstuk I quater ingevoegd met als opschrift: "De uitoefening van de klinische psychologie", bevattende de artikelen 21duodevicies en 21undevicies, luidend  als volgt:
"Art.21duodevicies. § 1.Onverminderd de bevoegdheid van de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars van de geneeskunde, wordt de klinische psychologie uitgeoefend door de houder van een erkenning toegekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volks­gezondheid behoort.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden en de regels voor het verkrijgen, het behouden en het intrekken van de in § 1 bedoelde erkenning.
De kwalificatievoorwaarden om erkend te worden hebben inzonderheid betrekking op de vakgebieden waarin men moet onderwezen zijn en de stages die men gevolgd dient te heb­ben in de klinische psychologie.
Deze erkenning mag enkel toegekend worden aan de houder van een universitair diploma in het domein van de psychologie dat een opleiding bekroont, die in het kader van het voltijds onderwijs, ten minste vijf studiejaren omvat.

§ 3. Het voeren van de beroepstitel van klinisch psycholoog wordt voorbehouden aan de houder van de in §1 bedoelde erkenning.

"Art. 21undevicies. § 1. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid Voedselketen en Leefmilieu, wordt een Nationale Raad voor de klinische psychologie opgericht.

§ 2. De Nationale Raad voor klinische psychologie heeft tot taak de Minister tot wiens bevoegdheid de  Volksgezondheid behoort, op diens verzoek of op eigen initiatief, advies te verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de uitoefening van de  klinische psychologie.

§3. De Nationale Raad voor de klinische psychologie bestaat uit:

1° 7 leden die houder zijn van het in artikel 21duodevicies, §2, bedoelde universitair diploma en een academisch ambt bekleden, voorgedragen door de faculteiten die een volledig onderwijs verstrekken zoals bedoeld in artikel 21duodevicies, §2, op een lijst van dubbeltallen.

2° 7 leden die titularis zijn van het in artikel 21duodevicies, §2, bedoelde universitair diploma en de klinische psychologie werkelijk beoefenen, voorgedragen  op een lijst van dubbeltallen door de representatieve  beroepsverenigingen, door de Koning erkend op grond van door Hem bepaalde criteria.

3° 2 leden die arts zijn voorgedragen door de Hoge Raad voor geneesheren specialisten en huisartsen, op een lijst van dubbeltallen.

4° 2 leden, een ethicus en een jurist, die elk een academisch ambt bekleden, voorgedragen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.

De leden van de Nationale Raad worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. De Nationale Raad verkiest een voorzitter en ondervoorzitter onder zijn leden.

Het secretariaat van de Nationale Raad wordt waargenomen door een ambtenaar binnen de diensten van de regering, benoemd door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.

Aan elk effectief lid van de Raad wordt een plaatsvervanger toegevoegd die aan dezelfde voorwaarden beantwoordt.

§ 4 De Koning regelt de organisatie en de werking van de Nationale Raad.

De Raad kan alleen geldig beraadslagen wanneer ten minste de helft van de effectieve leden aanwezig zijn of door hun plaatsvervanger vertegenwoordigd zijn.

De beslissingen van de Raad worden genomen bij gewone meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

§5. De leden van de Nationale Raad, met uitzondering van de artsen, de ethicus en de jurist, moeten overeenkomstig artikel 21duodevicies, §1, worden erkend als klinisch psycholoog, ten laatste een jaar na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit dat de voorwaarden en andere regelen tot erkenning bepaalt.

-Art. 16 wijzigt Art. 35ter van KB78 als volgt: “De Koning stelt de lijst van bijzondere beroepstitels en van bijzondere beroepsbekwaamheden vast voor de in de artikelen 2, 3, 4, 5, § 2 eerste lid, 21bis, 21quater, 21duodevicies, 21vicies, 21bis et vicies en 22 bepaalde beoefenaars. (W. 10.08.2001; art. 47.)

Artikel 35quater. Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort hiertoe te zijn erkend. ( W. 10.08.2001; art. 48.)

Artikel 35quinquies. Niemand kan aan personen die hij tewerkstelt, zelfs als vrijwilliger, een van de in artikel 35ter bepaalde titels of bekwaamheden toekennen, indien die personen niet werden erkend overeenkomstig artikel 35sexies. ( W. 10.08.2001; art. 49.)

Artikel 35sexies. De erkenning bepaald in artikel 35quater wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen.

Artikel 35septies. De criteria voor de erkenning of beroepsbekwaamheid alsook de erkenningsvoorwaarden voor een bijzondere beroepsbekwaming die van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van deze wet blijven behouden in afwachting dat de nieuwe bepalingen worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 35ter en 35sexies. (W. 10.08.2001; art. 50.)

Artikel 35octies.
§ 1. Bij het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een Planningscommissie-Medisch aanbod opgericht.

§ 2. De opdracht van deze Commissie bestaat erin :

…/…

jaarlijks een verslag opstellen ten behoeve van de Ministers van Volksgezondheid en Sociale Zaken betreffende de relatie tussen de behoeften, studies, en de doorstroming tot de stages, met het oog op het verkrijgen van de bijzondere beroepstitels bedoeld in artikel 35ter en de beroepstitel bedoeld in artikel 21bis, § 3

§ 2bis. Met het oog op het vervullen van haar wettelijke opdrachten, kan de Planningscommissie persoonsgegevens in verband met beoefenaars van gezondheidszorgberoepen verwerken.

De resultaten van deze verwerking mogen enkel medegedeeld, verspreid of openbaar gemaakt worden, indien de personen niet identificeerbaar zijn. ( W. 10.08.2001; art. 51.)

§ 3. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de samenstelling en de werking van de Planningscommissie. De Planningscommissie kan zich laten bijstaan door experten.

De Planningscommissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister van Volksgezondheid. Het secretariaat wordt waargenomen door een ambtenaar van Volksgezondheid, aangewezen door de Minister.

§ 4. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en op voorstel van de Minister van Volksgezondheid, de opdrachten van de Planningscommissie uitbreiden tot andere beroepen vermeld in artikel 35ter.

Artikel 35nonies. 
§ 1.  Op gezamenlijk voorstel van de ministers die respectievelijk de Volksgezondheid en Sociale Zaken onder hun bevoegdheid hebben, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :

1. …/…
2. kan de Koning, na advies van de planningscommissie, het globaal aantal kandidaten bepalen dat jaarlijks toegang heeft tot het verkrijgen van een erkenning voor de uitoefening van een beroep waarvoor een erkenning bestaat;

3. kan de Koning de criteria en modaliteiten vastleggen voor de selectie van de in 1° en in 2° bedoelde kandidaten. ( W. 10.08.2001; art. 52.)

…/…
§ 3. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Planningscommissie, op voorstel van de Minister van Volksgezondheid en van de Minister van Sociale Zaken, per Gemeenschap het aantal kandidaten bepalen dat toegang heeft tot de diverse beroepstitels of groep van bijzondere beroepstitels.

§ 4.  De Koning kan op voorstel van de Minister van Volksgezondheid en bij een in Ministerraad overlegd besluit, mits de nodige aanpassingen, de bepalingen van §§ 1, 2 en 3 uitbreiden tot andere beroepen vermeld in artikel 35ter.

§ 5. …/…

§ 6.  Wanneer een kandidaat deel moet uitmakan van twee groepen van beoefenaars van een gezondheidszorgberoep waarvan het aantal reglementair beperkt is overeenkomstig § 1, moet hij slechts in één enkele groep opgenomen worden.  ( W. 10.08.2001; art. 52.)

-Art. 17. wijzigt Art. 35decies §1 van KB78 als volgt: “De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op gezamenlijk voorstel van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in het bij deze wet opgerichte Overlegcomité, bij toepassing van artikel 77bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, regels betreffende de einde-loopbaan voor de in de artikelen 2, § 1, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies bedoelde beroepsbeoefenaars.”

-Art 18. wijzigt Art. 35undecies §1, van KB78 als volgt: “§ 1. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op de gezamenlijke voordracht van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in het Overlegcomité :
  1° bepaalt de regels en de modaliteiten inzake de evaluatie, onder andere via een systeem van " peer review ", van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming van de individuele beroepsbeoefenaars bedoeld in artikel 2, § 1, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies;
  2° duidt de structuren aan die de evaluatie van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming organiseren of begeleiden en bepaalt de algemene regels van de werking ervan.

-Art. 19 wijzigt Art. 35duodecies als volgt: “De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met het overlegcomité, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in artikel 2, §1, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies, bedoelde beoefenaars.
De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met de in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 bedoelde desbetreffende overeenkomstencommissies, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in de artikelen 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis, 21quater en 22 bedoelde beroepsbeoefenaars
.

Deze regels hebben geen betrekking op het stellen van de diagnose, de keuze, het instellen van de behandeling en de uitvoering ervan.

Onder structuur en organisatie van de praktijk wordt inzonderheid verstaan: de organisatie en het beheer van het algemeen medisch dossier; de organisatie en, in voorkomend geval, de erkenningscriteria van de groepspraktijk en van diverse samenwerkingsverbanden; de rolomschrijving van en taakafspraken tussen huisartsen en specialisten.

-Art. 20. wijzigt Art35terdecies als volgt: “De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Volksgezondheid en van de Minister ven Sociale Zaken:

1. richt "een Hoge Raad voor de Gezondheidsberoepen" op, dewelke kan bestaan uit afdelingen met betrekking tot elk van de in artikelen 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis, 21quater, 21duodevicies, 21vicies, 21bis et vicies en 22 van het koninklijk besluit n° 78 van 10 november 1967 vermelde beroepen;

2. bepaalt de samenstelling ervan. De medische afdeling ervan wordt als volgt samengesteld: de Minister van Volksgezondheid, de Minister van Sociale Zaken, de representatieve beroepsverenigingen, de verzekeringsinstellingen, de universiteiten en de wetenschappelijke verenigingen;

3. (a) bepaalt de opdrachten ervan, welke er inzonderheid in bestaan advies te verstrekken met betrekking tot de kwaliteit, de evaluatie en de organisatie van de medische praktijk van de in de artikelen 2, § 1, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies bedoelde beroepsbeoefenaars; en stelt meer bepaald aanbevelingen voor goede praktijkvoering op. Op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde minister, of het desbetreffend Overlegcomité, zoals bepaald in artikel 8 van de wet van 10 december 1997 tot reorganisatie van de gezondheidszorg, formuleert de betreffende afdeling voorstellen of adviezen onder meer inzake kwaliteit van de zorgverlening, de organisatie van de zorgverlening, en de taakafspraken tussen de beoefenaars onderling; ../..
4. bepaalt de werking ervan. Vooraleer er door de geëigende organen definitieve beslissingen genomen worden desaangaande, alsmede met betrekking tot de in het 3e beoogde materies dient voorafgaandelijk overleg georganiseerd in het geëigend overlegcomité, opgericht bij deze wet.
Op voorstel van de bevoegde minister kunnen verschillende afdelingen samen vergaderen.

-Art. 21 wijzigt Art. 36 §2 van KB78 als volgt:
“Elke geneeskundige commissie is samengesteld uit:

1. een voorzitter, doctor in de genees-, heel- en verloskunde;

2. een ondervoorzitter, doctor in de genees-, heel- en verloskunde;

3. twee geneesheren;

4. twee beoefenaars van de tandheelkunde;

5. twee apothekers;

6. twee veeartsen;

7. twee houdsters van het diploma van vroedvrouw;
7°bis twee kinesitherapeuten;
7°ter twee beoefenaars van de verpleegkunde;
7°quater twee klinisch psychologen

7°quiquies twee klinische seksuologen

7°sexies twee klinische orthopedagogen

8. een lid per paramedisch beroep dat betrekking heeft op handelingen of prestaties bedoeld bij artikel 22;

9. een ambtenaar van elke buitendienst van de inspectie van het Ministerie van Volksgezondheid, bevoegd inzake de gezondheid of de sociale geneeskunde; de gezondheidsinspecteur is de secretaris van de commissie.

-Art. 22. wijzigt Art. 37, § 1,2°,a als volgt:
"De geneeskundige commissie heeft tot taak, in haar ambtsgebied: …/…

in het bijzonder:
a. de echtheid na te gaan van en het visum te hechten aan de titels van de beoefenaars van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde, van de veeartsen, van de beoefenaars van de verpleegkunde, van de klinische psychologen, van de klinische seksuologen, van de klinische orthopedagogen en van de beoefenaars van de paramedische beroepen.

b. het visum in te trekken of zijn behoud afhankelijk te maken van de aanvaarding, door de betrokkene, van de opgelegde beperkingen, wanneer, op advies van geneesheren deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren of door de Nationale Raad van de Orde waaronder hij ressorteert, vastgesteld wordt dat een beoefenaar bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4 of 21bis, een veearts, een beoefenaar van de verpleegkunde, een klinische psycholoog, een klinische seksuoloog, een klinische orthopedagoog of een beoefenaar van een paramedisch beroep niet meer voldoet aan de vereiste fysische of psychische geschiktheden om, zonder risico's, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten.
De beroepsbeoefenaar heeft niet de vrijheid om zich aan het onderzoek door de deskundigen te onttrekken.
In dat laatste geval kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag nooit meer dan drie maanden, herhaalbaar, bedragen.
Wanneer zijn fysieke of psychische ongeschiktheid dusdanig is dat ernstige gevolgen voor de patiënten kunnen worden gevreesd, kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag nooit meer dan twee maanden, herhaalbaar, bedragen.
De voorlopige intrekking of het voorwaardelijke behoud van het visum neemt een einde zodra de geneeskundige commissie een definitieve uitspraak heeft gedaan.

c. onverminderd de bevoegdheid van de personen, belast door of krachtens de wet, met controle- of toezichtsopdrachten :

1. erover te waken dat de geneeskunde en de artsenijbe­reidkunde, de veeartsenijkunde, de verpleegkunde, de pa­ramedische beroepen, de klinische psychologie, de klinische seksuologie en de klinische orthopedagogiek, in overeen­stemming met de wetten en reglementen worden uitgeoe­fend;

2. het opsporen en mededelen aan het parket van de gevallen van onwettige uitoefening van de geneeskunde, van de artsenijbereidkunde, van de veeartsenijkunde, de verpleegkunde, van een paramedisch beroep of van de klinische psychologie, van de klinische seksuologie of van de klinische orthopedagogiek

d. de opdrachten voorzien bij artikel 9 te vervullen;

e. de belanghebbende personen van publiek- of privaatrecht in te lichten omtrent de genomen beslissingen, hetzij door haar zelf, hetzij door de bij artikel 37 bepaalde geneeskundige commissie van beroep, hetzij door de betrokken Orden, hetzij door de rechtbanken, inzake de uitoefening van zijn activiteit door een beoefenaar van de geneeskunde, van de artsenijbereidkunde, van de veeartsenijkunde, de verpleegkunde, de klinische psychologie, de klinische seksuologie, de klinische orthopedagogiek of een lid van een paramedisch beroep.

De aanduiding van de personen bedoeld bij vorig lid, alsmede de modaliteiten volgens dewelke zij worden ingelicht, worden bepaald door de Koning, op voorstel naargelang het geval, van de betrokken Orde of van de Nationale Raad voor de verpleegkunde, de Nationale Raad voor de klinische psychologie of de Nationale Raad voor paramedische beroepen, gedaan binnen de door de Minister die de Volksgezondheid in zijn bevoegdheid heeft, vastgestelde termijn;

f. de organen van de bevoegde Orden in kennis te stellen van de beroepsfouten welke aan de beoefenaars die daaronder ressorteren worden ten laste gelegd;

g. toezicht te houden over de openbare verkopingen waarin geneesmiddelen zijn begrepen.

§ 2.  Voor het vervullen van haar algemene taak, is de medische commissie samengesteld uit de leden, vermeld sub 1° tot 7°sexies en sub 9° van §1 van artikel 36. Zij omvat daarenboven een maximum van tien leden die de Koning aanduidt onder deze vermeld sub 8° van dezelfde bepaling.

Voor het vervullen van haar speciale opdracht is de commissie uitsluitend samengesteld uit de voorzitter, de ondervoorzitter, de secretaris en het lid of de leden die het beroep van de betrokken persoon of personen vertegenwoordigen.

Art.23. wijzigt Art 38 van KB78 als volgt:

"§1. Worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweeduizend frank of met een van die straffen alleen: …/…

3. Wordt gestraft met de sub 2° van dit artikel bepaalde straf­fen:
de beoefenaar bedoeld bij de artikelen 2, 3, 4, 21bis, 21 duode­vicies, 21vicies of 21bis et vicies, die, gehouden zijnde mede te werken aan de wachtdiensten krachtens de maatregelen opgelegd ter uitvoering van artikel 9, § 3, zijn verplichtingen niet nakomt, zonder een beletsel te kunnen doen gelden ingevolge het vervullen van een dringender beroepstaak of ingevolge een ernstige reden of zonder zich te hebben laten vervangen door een andere beoefenaar die zelf niet gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de wachtdiensten;

4. Wordt eveneens gestraft met de sub 2° van dit artikel bepaalde straffen, hij die, met overtreding van artikel 10, de regelmatige en normale uitoefening van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de klinische psychologie, de klinische seksuologie of de klinische orthopedagogiek door een persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, verhindert of belemmert door feitelijkheden of geweld;

5. …/…

Wordt gestraft met een boete van zesentwintig euro tot vijf­hon­derd euro, de beoefenaar van de klinische psychologie die de bepalingen van artikel 18, § 2, overtreedt.

Wordt gestraft met een boete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro, de beoefenaar van de klinische seksuologie die de bepalingen van artikel 18, § 2, overtreedt.

Wordt gestraft met een boete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro, de beoefenaar van de klinische orthopedagogiek die de bepalingen van artikel 18, § 2, overtreedt.

§2. In afwijking van de bepalingen van § 1 is het begrip " gewoonlijk " niet vereist voor degene die:

1. vroeger wegens onwettige uitoefening van de geneeskun­de of van de artsenijbereidkunde werd veroordeeld;

2. om het even welk reclamemiddel heeft aangewend om de in artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 21bis, 21duodevicies, 21vicies en 21bis et vicies bedoelde handelingen te kunnen stellen;

3. in verband met die handelingen, opvallende middelen heeft aangewend of gebruik heeft gemaakt van een titel of van enige benaming, met het doel te doen geloven dat hij wettelijk bevoegd is.

Art. 24. In hetzelfde koninklijk besluit wordt, in de plaats van artikel 40bis dat artikel 40ter wordt, een nieuw artikel 40bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 40bis. ­ § 1. Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een geldboete van 200 euro tot 1 000 euro :

1º hij die, in overtreding van artikel 21duodevicies, § 3, zich in het openbaar de beroepstitel toeëigent zonder er recht op te hebben;

2º hij die, in overtreding van artikel 21duodevicies, § 3, een beroepstitel ten onrechte toekent aan personen die hij, zelfs kosteloos, te werk stelt.

In dit geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers wegens overtreding gepleegd bij de uitvoering van hun contract.

§ 2. Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een geldboete van 200 euro tot 1 000 euro :

1º hij die, in overtreding van artikel 21vicies, § 3, zich in het openbaar de beroepstitel toeëigent zonder er recht op te hebben;

2º hij die, in overtreding van artikel 21vicies, § 3, een beroepstitel ten onrechte toekent aan personen die hij, zelfs kosteloos, te werk stelt.

In dit geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers wegens overtreding gepleegd bij de uitvoering van hun contract.

§ 3. Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een geldboete van 200 euro tot 1 000 euro :

1º hij die, in overtreding van artikel 21bis et vicies, § 3, zich in het openbaar de beroepstitel toeëigent zonder er recht op te hebben;

2º hij die, in overtreding van artikel 21bis et vicies, § 3, een beroepstitel ten onrechte toekent aan personen die hij, zelfs kosteloos, te werk stelt.

In dit geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers wegens overtreding gepleegd bij de uitvoering van hun contract. »

Art. 25. wijzigt Art. 41. van KB78 als volgt:

"Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig frank tot tweeduizend frank of met één van die straffen alleen, hij die met overtreding van een beslissing van een geneeskundige commissie of van de geneeskundige commissie van beroep, de uitoefening van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de verpleegkunde, de klinische psychologie, de klinische seksuologie, de klinische orthopedagogiek of van een paramedisch beroep voortzet, zonder de hem opgelegde beperkingen na te komen.

Art. 26. wijzigt Art. 45. §1. van KB78 als volgt:
"
De Koning bepaalt de toelagen, vergoedingen en vacatiegelden die mogen worden verleend aan de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de geneeskundige commissies, de geneeskundige commissie van beroep, de Nationale Raad voor de Kinesitherapie, de Nationale Raad voor Verpleegkunde, de Nationale Raad voor de klinische psychologie, de Nationale Raad voor de klinische seksuologie, de Nationale Raad voor de klinische orthopedagogiek en de Nationale raad voor de paramedische beroepen, alsmede aan al de personen die, wegens hun bevoegdheid, worden opgeroepen.

Art. 27. wijzigt Art. 45ter §1 van KB78 als volgt:

"Aan de beoefenaars van de in de artikelen 2, 3, 4, 5, §2, 21bis, 21quater, 21duodevicies, 21vicies, 21bis et vicies en 22, die patiëntengegevens registreren en anoniem overzenden aan de minister tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort en aan het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid Louis Pasteur, kan een toelage toegekend worden binnen de grenzen van de op de begroting van het departement dat belast is met de toepassing van dit besluit, uitgetrokken kredieten.

Art. 28. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 47bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 47bis. ­ § 1. De koninklijke besluiten genomen in uitvoering van artikel 21duodevicies, § 2 en § 5, worden genomen door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, na raadpleging van de Nationale Raad voor de klinische psychologie.

Deze Raad brengt zijn advies uit binnen de vier maanden nadat de vraag gesteld wordt. Na het verstrijken van deze termijn wordt het advies geacht gegeven te zijn.

§ 2. De koninklijke besluiten genomen in uitvoering van artikel 21vicies, § 2 en § 5, worden genomen door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, na raadpleging van de Nationale Raad voor de klinische seksuologie.

Deze Raad brengt zijn advies uit binnen de vier maanden nadat de vraag gesteld wordt. Na het verstrijken van deze termijn wordt het advies geacht gegeven te zijn.

§ 3. De koninklijke besluiten genomen in uitvoering van artikel 21bis et vicies, §  2 en § 5, worden genomen door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, na raadpleging van de Nationale Raad voor de klinische orthopedagogiek.

Deze Raad brengt zijn advies uit binnen de vier maanden nadat de vraag gesteld wordt. Na het verstrijken van deze termijn wordt het advies geacht gegeven te zijn. »

Art. 29. wijzigt Art. 49 van KB78 als volgt:
"Worden beschouwd als niet geschreven zijnde de bepalingen van de overeenkomsten die tegenstrijdig zijn met de bepalingen van de bij artikel 2, §1, lid 3, het artikel 3, lid 3, het artikel 4, §1, lid 3, het artikel 5, het artikel 6, in artikel 21quinquies, § 1, b), in artikel 21duodevicies, § 5, in artikel 21vicies, § 5, in artikel 21bis et vicies, § 5, en in artikel 23, §1, genoemde koninklijke besluiten. ”

Art. 30. wijzigt Art. 49bis §1 van KB78 als volgt:

"Andere buitenlanders dan Europese onderdanen, wier buitenlands diploma gelijkwaardig werd verklaard door de bevoegde autoriteiten van een gemeenschap en die in België beroepsactiviteiten wensen uit te oefenen vermeld in de artikelen 2, 3, 3, 3, §2, 21bis, 21quater, 21duodevicies, 21vicies ou 21bis et vicies of die in aanmerking wenden te komen voor het uitoefenen van een paramedisch beroep in overeenstemming met hoofdstuk II, kunnen pas hun beroep uitoefenen, nadat zijn hiertoe door de Koning toegelaten werden en nadat zij bovendien de andere voorwaarden voor het uitoefenen van hun beroep, vermeld in dit besluit, vervuld hebben.

Art. 31. wijzigt Art. 49quater van KB78 als volgt:

"De Koning is gemachtigd om de benamingen van de diploma’s die toegang verlenen tot het uitoefenen van de beroepen of activiteiten vermeld in de artikelen 2, 3, 4, 5, §2, 21bis, 21quater, 21duodevicies, 21vicies ou 21bis et vicies en 22 aan te passen aan de benamingen van de diploma’s afgeleverd door de Gemeenschappen.

Art.32. wijzigt Art.50. §1 van KB78 als volgt:

"De wet van 12 maart 1818 tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft, uitgelegd bij de wet van 27 maart 1853 en gewijzigd bij de wetten van 24 februari 1921, 18 juli 1946 en 25 juli 1952, wordt opgeheven.

Ten titel van overgangsbepaling en zolang de koninklijke besluiten voorzien bij de artikelen bij de artikelen 5, 6, 21quinquies, § 1, b), in artikel 21duodevicies, § 5, in artikel 21vicies, § 5, in artikel 21bis et vicies, § 5, en 23, § 1 niet zullen genomen zijn, blijven de huidige modaliteiten van uitvoering van de daardoor bedoelde handelingen of prestaties, zoals zij worden beperkt door de rechtspraak volgend uit de hogervermelde wet van 12 maart 1818, verder van toepassing.

Art. 33. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 54quinquies ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 54quinquies. ­ § 1. In afwijking van artikel 21duodevicies, § 2, derde lid, wordt de in artikel 21duodevicies, § 1, bedoelde erkenning op hun verzoek toegekend aan personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van ... tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met het oog op de regeling van de uitoefening van de klinische psychologie, klinische seksuologie en klinische orthopedagogiek, houder zijn van een universitair diploma in het domein van de psychologie dat een opleiding bekroont, die in het kader van het voltijds onderwijs, vier studiejaren omvat.

§ 2. Personen die geen houder zijn van het in artikel 21duodevicies, § 2, derde lid, bedoelde diploma maar op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van ... tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met het oog op de regeling van de uitoefening van de klinische psychologie, klinische seksuologie en klinische orthopedagogiek, houder zijn van de titel van psycholoog en van een diploma dat een opleiding bekroont, die overeenstemt met een opleiding van minstens drie jaar in het kader van een voltijds hoger onderwijs, en gedurende minstens vijf jaar taken vervullen zoals bedoeld in artikel 21duodevicies, § 4, mogen deze werkzaamheden blijven verrichten.

§ 3. Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van § 1 of § 2, moeten zij zich bij de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, bekend maken volgens een door de Koning vastgestelde procedure; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van de verworven rechten inroepen.

De door de Koning bepaalde procedure zal onder meer de wijze vaststellen waarop het bewijs van de uitvoering van de in § 1 of § 2 bedoelde handelingen moet worden geleverd.

§ 4. Voor het zich bekend maken bij de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, beschikken de in § 1en § 2 bedoelde personen over één jaar vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van § 3.

Tijdens deze overgangsperiode en zolang niet over hun aanvraag is beslist, mogen zij de in § 1 of § 2 bedoelde handelingen blijven stellen. »

Art. 34. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 54sexies ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 54sexies. ­ § 1. In afwijking van artikel 21vicies, § 2, derde lid, wordt de in artikel 21vicies, § 1, bedoelde erkenning op hun verzoek toegekend aan personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van ... tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met het oog op de regeling van de uitoefening van de klinische psychologie, klinische seksuologie en klinische orthopedagogiek, houder zijn van een universitair diploma in het domein van de psychologie of van de pedagogie en gedurende ten minste drie jaar of vanaf het einde van hun studie taken betreffende de klinische seksuologie vervullen.

§ 2. Personen die geen houder zijn van een in paragraaf 1 bedoeld diploma maar op ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van ... tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met het oog op de regeling van de uitoefening van de klinische psychologie, klinische seksuologie en klinische orthopedagogiek, houder zijn van een diploma dat een opleiding bekroont, die overeenstemt met een opleiding van minstens drie jaar in het kader van een voltijds hoger onderwijs, en gedurende minstens vijf jaar taken vervullen zoals bedoeld in artikel 21vicies, mogen deze werkzaamheden blijven verrichten.

§ 3. Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van § 1 of § 2, moeten zij zich bij de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, bekend maken volgens een door de Koning vastgestelde procedure; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van de verworven rechten inroepen.

De door de Koning bepaalde procedure zal onder meer de wijze vaststellen waarop het bewijs van de uitvoering van de in § 1 of § 2 bedoelde handelingen moet worden geleverd.

§ 4. Voor het zich bekend maken bij de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, beschikken de in § 1 bedoelde personen over één jaar vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van § 3.

Tijdens deze overgangsperiode en zolang niet over hun aanvraag is beslist, mogen zij de in § 1 of § 2 bedoelde handelingen blijven stellen. »

Art. 35. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 54septies ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 54septies. ­§ 1. In afwijking van artikel 21bis et vicies, § 2, derde lid, wordt de in artikel 21bis et vicies, § 1, bedoelde erkenning op hun verzoek toegekend aan personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van ... tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met het oog op de regeling van de uitoefening van de klinische psychologie, klinische seksuologie en klinische orthopedagogiek, houder zijn van een universitair diploma in het domein van de psychologie en gedurende ten minste drie jaar of vanaf het einde van hun studie taken betreffende de klinische orthopedagogiek vervullen.

§ 2. Personen die geen houder zijn van een in paragraaf 1 bedoeld diploma maar op ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van ... tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met het oog op de regeling van de uitoefening van de klinische psychologie, klinische seksuologie en klinische orthopedagogiek, houder zijn van een diploma dat een opleiding bekroont, die overeenstemt met een opleiding van minstens drie jaar in het kader van een voltijds hoger onderwijs, en gedurende minstens vijf jaar taken vervullen zoals bedoeld in artikel 21bis et vicies, mogen deze werkzaamheden blijven verrichten.

§ 3. Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van § 1 of § 2, moeten zij zich bij de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, bekend maken volgens een door de Koning vastgestelde procedure; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van de verworven rechten inroepen.

De door de Koning bepaalde procedure zal onder meer de wijze vaststellen waarop het bewijs van de uitvoering van de in § 1 of § 2 bedoelde handelingen moet worden geleverd.

§ 4. Voor het zich bekend maken bij de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, beschikken de in § 1 en in § 2 bedoelde personen over één jaar vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van § 3.

Tijdens deze overgangsperiode en zolang niet over hun aanvraag is beslist, mogen zij de in § 1 of § 2 bedoelde handelingen blijven stellen. »

Art. 2. In koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen wordt een hoofdstuk III (nieuw) ingevoegd, luidend als volgt :

« HOOFDSTUK III : uitoefening van de beroepen in de sector van de geestelijke gezondheidszorg ../..

Art. 35novies decies. ­ § 1. De uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg vereist het verkrijgen van een erkenning, verleend door de voor Volksgezondheid bevoegde minister.

§ 2. De Koning bepaalt, nadat Hij het advies van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen, de voorwaarden en de regels voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in § 1 bedoelde erkenning, alsmede de aanvullende voorwaarden, stageperiodes en monitoring die de erkenning vereist. ».

Art. 35septies decies. ­ Bij het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg opgericht.

De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de samenstelling en de werkwijze van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg met inachtneming van de diversiteiten. De Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg is evenwel paritair samengesteld uit de psychotherapeuten bedoeld in artikel 35sexies decies, alsmedeuit de diverse, in artikel 35sexies decies, a), b) en c) bedoelde categorieën van beroepen.

Art. 35octies decies. ­ De Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft tot taak de voor Volksgezondheid bevoegde minister ­ op diens verzoek dan wel uit eigen beweging ­ adviezen te verlenen in alle aangelegenheden die verband houden met de geestelijke gezondheidszorg en met de noodzakelijke diplomavereisten voor de uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg.

 

 

Laatst bijgewerkt: 23.11.2004

 

Disclaimer

 

Dit werkdocument werd door KlinPsy naar beste kunnen opgemaakt als hulpmiddel ter evaluatie van de wetsvoorstellen over de uitoefening op de klinische psychologie in België. KlinPsy kan evenwel niet verantwoordelijk of aansprakelijk gesteld worden voor eventuele fouten in deze analyse noch voor de verkeerde evaluaties, standpunten of beslissingen die daaruit zouden kunnen voortvloeien. Ieder die deze tekst doorneemt wordt uitgenodigd de tekst kritisch te lezen.

 

 

 

KlinPsy-dossier Statuut Psycholoog

 

KlinPsy - Wegwijzer