Rog.

(Rajidae).

Een familie van platte kraakbeenvissen die zich door middel van eieren voortplanten.

Lichaamsbouw:

Karakteristiek voor de echte rog zijn de er als vleugels uitziende borstvinnen die naar voren tot bij de neuspunt komen. Verder hebben de roggen twee ver naar achteren liggende rugvinnen. De staart is smal en vaak tamelijk lang. Er ontbreekt n staartvin. De ogen liggen op de kop en achter de ogen liggen de spuitgaten. Op de rug en af en toe ook op de vleugelvinnen zitten een heleboel huidtandjes of stekels. De kieuwspleten bevinden zich onderaan de kop, net als de mondopening. Beide kaken hebben rijen vlakke maaltanden. Enige soorten hebben zwak elektrische organen aan de staart. Vermoedelijk dienen die er voor de plaats van prooidieren, vijanden en hindernissen te bepalen. De kleur van de roggen is heel variabel. Ze wisselt niet alleen van soort tot soort, maar vaak ook nog van ras tot ras. Bovendien zijn veel roggen ook nog in staat hun kleur aan de ondergrond aan te passen. De meeste roggen zijn vrij klein en zijn tussen de 20 en 30 cm lang. Maar er zijn enkele grote soorten die een lengte van 2,5 m kunnen bereiken. Verscheidene roggensoorten zijn goed eetbaar.





Voortplanting:

De roggen leggen grote eieren. Die zijn met een vierpuntige hoorncapsule omgeven. Die eicapsules zijn vaak aan het strand te vinden. De jongen blijven minstens 4 maanden maar vaak ook langer dan een jaar in de eicapsule.

Verspreidingsgebied/biotoop:

De roggen komen in alle zeen ter wereld voor. De meeste soorten leven in naar verhouding ondiep water in de buurt van kusten, maar sommige gaan ook naar grotere diepten, zelfs tot 2000 m.

Soorten:

De gladde rog (Raja batis) is te vinden aan de Europese kusten van de Atlantische Oceaan, in de Noordzee en in het westelijke deel van de Middellandse Zee. En van de meest voorkomende roggen in de Europese kustwateren is de nagel- of doornrog (Raja clavata). De witte rog (Raja lintea) komt voor in de noordelijke Noordzee en aan de kust van Groenland.



Terug naar homepage