De strijd voor het vrouwenstemrecht

De grondwet van 1830 kondigt de gelijkheid van alle Belgen aan. Toch zal het nog meer dan een eeuw duren vooraleer alle Belgische burgers over gelijke politieke rechten beschikken. In 1919 wordt het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht ingevoerd. De strijd voor het vrouwenstemrecht verloopt zo mogelijk nog moeizamer dan de strijd voor het mannenstemrecht. Bijna dertig jaar na de mannen krijgen de Belgische vrouwen in 1948 volwaardige politieke rechten1.

Ontstaan van de eis voor het vrouwenkiesrecht op het einde van de 19de eeuw.

In 1831 wordt het cijnskiesrecht ingevoerd. Dat betekent dat enkel mannen die een bepaald belastingsniveau halen, mogen stemmen. Het stemrecht wordt dus beperkt tot een kleine groep van gefortuneerde mannen. In 1893 wordt het cijnskiesrecht vervangen door het algemeen meervoudig mannenstemrecht. Voortaan kan elke volwassen man minstens één stem uitbrengen. Afhankelijk van vermogen, gezinssituatie en diploma's kan daar een stem bijkomen tot maximaal drie stemmen per man. Opnieuw wordt de vrouwelijke helft van de Belgische bevolking uitgesloten. De uitsluiting steunt op het toenmalig rollenpatroon dat vrouwen inkapselt in de privésfeer en het publieke leven aan de mannen voorbehoudt.
In België krijgt de feministische beweging op het einde van de 19de eeuw vorm. Pas laat groeit de belangstelling voor het vrouwenkiesrecht. De eerste Belgische feministische organisatie wordt in 1892 opgericht naar aanleiding van de weigering door de balie van Marie Popelin, de eerste vrouwelijke juriste. De Ligue belge du Droit des Femmes stelt de economische en burgerrechtelijke emancipatie voorop, want pas dan heeft vrouwenstemrecht ook zin. In het kielzog van de Ligue ontstaan tal van vrouwenorganisaties. Ze zijn niet allemaal even feministisch georïënteerd. Een groot aantal is vooral begaan met liefdadigheid en de strijd tegen maatschappelijke kwalen zoals prostitutie en alcoholisme. De eerste feministes komen bijna allemaal uit de liberale burgerij, maar hun organisaties stellen zich neutraal en a-politiek op. Desondanks slagen ze er niet in om het etiket liberaal kwijt te raken.
Ook binnen de politieke partijen duurt het geruime tijd vooraleer het vrouwenkiesrecht enige weerklank vindt. De Belgische Werkliedenpartij is de eerste Belgische partij die zich uitspreekt voor het vrouwenstemrecht. Het stichtingsprogramma van 1885 onderschrijft het principe van gelijkheid zonder onderscheid van ras, cultuur of geslacht. In het handvest van Quaregnon van 1894 eist de socialistische partij het algemeen stemrecht op alle niveaus en zonder onderscheid van geslacht. Naar aanleiding van de discussies in het parlement omtrent de herziening van de gemeentelijke kieslijsten steunen de socialisten in 1895 de petitie van de Ligue voor gemeentelijk vrouwenkiesrecht. Het is de eerste keer dat de Ligue het opneemt voor het vrouwenkiesrecht. Ze argumenteert dat gemeenten samengesteld zijn uit gezinnen en dat de vrouw als moeder precies in het gezin een centrale plaats bekleedt. Het mag evenwel niet baten.

Politiek getouwtrek omtrent het vrouwenstemrecht rond de eeuwwisseling

In het vooruitzicht van de verkiezingen van 1902 sluiten liberalen en socialisten een verbond. Samen willen ze de sinds 1884 gevestigde katholieke meerderheidspositie doorbreken. De liberalen verlenen hun steun aan de socialistische eis voor algemeen en enkelvoudig mannenstemrecht, maar eisen dat de socialisten in ruil het vrouwenstemrecht laten vallen. De liberalen vrezen immers dat de vrouwen te veel onder de invloed van de kerk staan en derhalve hun stem zullen geven aan de katholieke partij. Lalla Vandervelde stelt alles in het werk om de socialistische vrouwen het compromis tussen socialisten en liberalen te doen aanvaarden, maar ze stuit op heftige weerstand. Met het oog op het uitsluiten van het risico op een dubbele nederlaag, stemmen de socialistische vrouwen uiteindelijk in met de opoffering van het vrouwenstemrecht. Dat gebeurt nochtans niet unaniem.
Intussen groeit aan katholieke zijde de belangstelling voor het vrouwenkiesrecht. In 1894 behaalt de BWP een eerste electoraal succes. De vervanging van het meerderheidsstelsel door de evenredige vertegenwoordiging in 1899 kalft het katholieke overwicht nog meer af. In het meerderheidsstelsel worden alle zetels van een kiesarrondissement toegekend aan de winnende partij; in het systeem van de evenredige vertegenwoordiging worden de zetels van een kiesarrondissement verdeeld over de verschillende partijen in verhouding tot het aantal behaalde stemmen. De katholieken beperken de rol van de vrouw tot het gezin, maar verdedigen het vrouwenstemrecht om pragmatische redenen. Uitgaande van het vermeende conservatieve stemgedrag van de vrouwelijke kiezers, kennen ze aan de vrouwen een bufferfunctie toe in de strijd tegen het oprukkende socialisme. Vandaar dat de katholieken in de debatten over het algemeen en enkelvoudig mannenstemrecht niet aarzelen om daar het vrouwenstemrecht tegenover te stellen. Ze staan daarmee op één lijn met de christelijke feministen die in 1902 onder leiding van Louise Van den Plas Le Féminisme Chrétien de Belgique oprichten.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog is de strijd voor het vrouwenkiesrecht ingekapseld in de politieke strategie van de verschillende partijen. Voortaan moet het feminisme ook rekening houden met de nieuwe vrouwenbewegingen die in het verlengde van de zuilen tot stand komen. Dat belet niet dat in 1913 een eerste gemeenschappelijk feministisch front voor het vrouwenstemrecht gerealiseerd wordt. De Fédération belge pour le Suffrage des Femmes omvat de Ligue belge du Droits des Femmes, vier liberale vrouwenverenigingen en Le Féminisme Chrétien de Belgique. Het tot stand komen van een front voor vrouwenstemrecht impliceert dat de houding van de Belgische feministes gewijzigd is. Terwijl in het begin het stemrecht beschouwd werd als een bekroning van de strijd, wordt het nu opgeëist als een middel om de emancipatie van de vrouw in andere maatschappelijke domeinen te bereiken. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 doet de feministische eisen op de achtergrond verdwijnen.

Gemeentelijk vrouwenstemrecht na de Eerste Wereldoorlog

Na de Eerste Wereldoorlog nemen de politieke partijen hun oude stellingen tegenover het stemrecht terug in. De katholieken stellen het vrouwenstemrecht tegenover het algemeen en enkelvoudig mannenstemrecht dat door de socialisten geëist wordt. Uiteindelijk komt het in april 1919 tot een compromis: de mannen krijgen het algemeen en enkelvoudig stemrecht, maar het stemrecht van de vrouwen wordt beperkt tot het gemeentelijk niveau. Nog voor de eerste naoorlogse parlementsverkiezingen wordt in mei 1919 het enkelvoudig stemrecht voor alle mannen vanaf 21 jaar ingevoerd. Als argument wordt aangehaald dat alle Belgische mannen gelijk in het oorlogsleed gedeeld hebben. Dat geldt blijkbaar niet voor de vrouwen. Alleen vrouwen die omwille van verzetsdaden door de bezetter gevangen waren gezet, niet-hertrouwde weduwen of alleenstaande moeders van gesneuvelde soldaten of gefusilleerde burgers krijgen eveneens stemrecht.
Hoewel de socialisten er zich in april 1919 toe verbonden hebben voor de invoering van het gemeentelijk vrouwenstemrecht te stemmen, duurt het nog een jaar vooraleer de Belgische vrouwen in april 1920 kiesrecht verwerven voor de gemeenteraadsverkiezingen. Een aantal merkwaardige amendementen wordt ingediend. Het amendement van een Brussels liberaal dat prostituees uitsluit van het stemrecht wordt ook effectief doorgevoerd. De wet van februari 1921 maakt vrouwen verkiesbaar als gemeenteraadslid en de wet van augustus 1921 bevestigt dat vrouwen schepen en burgemeester kunnnen worden. Gehuwde vrouwen moeten hiervoor wel de toestemming van hun echtgenoot krijgen. De vrouwen verwerven ook het passief stemrecht op provinciaal en nationaal niveau. Dat impliceert dat ze niet mogen stemmen, maar zich wel verkiesbaar mogen stellen.
In 1921 wordt het politieke monopolie van de mannen voor het eerst doorbroken op gemeentelijk niveau. Voortaan moeten de politieke partijen rekening houden met het vrouwelijk electoraat. De propaganda van de verschillende partijen is verrassend gelijkend. Vrouwen worden telkens opnieuw aangesproken in hun hoedanigheid van huisvrouw of moeder. De feministische beweging start intussen een grootschalige campagne om de toekomstige vrouwelijke kiezers te vormen. Enkele maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen wordt een Parti général des Femmes opgericht. Die partij wil alle vrouwen over de partijgrenzen heen verenigen rond een neutraal programma. Centraal staat de strijd tegen alcoholisme, onwetendheid en ontucht, de bescherming van moeder en kind en pacifisme. De uitsluitend uit vrouwen samengestelde kieslijst wordt evenwel niet aanvaard omdat ze niet volgens de regels is opgesteld.
Op 24 april 1921 trekken meer dan twee miljoen vrouwen voor het eerst naar de stembus voor de gemeenteraadsverkiezingen. Het vermeende conservatieve stemgedrag van de vrouwelijke kiezers heeft zich niet voorgedaan. Na de verkiezingen van 1921 oordelen socialisten en liberalen dat de vrouwen 'goed' gestemd hebben. Het kiesgedrag van de vrouwen is eerder afgestemd op dat van hun mannen dan op het advies van de kerk. In Kortrijk worden in 1921 twee vrouwelijke raadsleden verkozen: Maria Egels voor de socialistische partij en Zosma Nuyttens voor de katholieke partij. Over heel België worden 196 vrouwen verkozen waarvan er 13 tot schepen en 6 tot burgemeester benoemd worden. De vrouwelijke verkozenen vertegenwoordigen slechts 1% van het totaal aantal raadsleden terwijl het aantal vrouwelijke kiezers 51% bedraagt. Dat blijft zo tot na de Tweede Wereldoorlog. Daaruit blijkt dat vrouwen niet voor vrouwen gestemd hebben. In de ogen van de publieke opinie blijft de politiek een mannenzaak.
Hoewel vrouwen geen stemrecht hebben voor de provinciale en nationale verkiezingen, kunnen ze zich wel verkiesbaar stellen. Het aantal vrouwelijke parlementsleden blijft tijdens het interbellum bijzonder laag. De Kamer telt 3 rechtstreeks verkozen vrouwen: twee socialistes en één communiste. De senaat telt evenveel gecoöpteerde vrouwen: één socialiste, één katholieke en één Vlaams-nationaliste. Vreemd genoeg zijn deze vrouwelijke vertegenwoordigers niet noodzakelijk pleitbezorgsters van de vrouwenbelangen. Zo slaagt senator Marie-Anne Spaak-Janson erin om als enige vrouw in 1929 tegen een voorstel voor volwaardig vrouwenstemrecht te stemmen.

Volwaardige politieke rechten in 1948

Na de Tweede Wereldoorlog flakkert de discussie over het vrouwenstemrecht terug op. Het principe van volwaardig vrouwenkiesrecht wordt niet meer in vraag gesteld. De discussie blijft steken over het moment van inwerkingtreding. Het debat weerspiegelt de oude electorale bekommernissen. Dat betekent dat enerzijds christen-democraten hopen op een conservatief vrouwelijk kiesgedrag terwijl anderzijds socialisten en liberalen precies datzelfde vrezen. Uiteindelijk krijgen de Belgische vrouwen in maart 1948 stemrecht voor de parlementsverkiezingen. Het provinciaal stemrecht volgt in juli van datzelfde jaar. Vrouwen nemen voor het eerst deel aan de parlementsverkiezingen in juni 1949.
De formele gelijkheid die door de wet van 1948 gerealiseerd is, betekent niet meteen ook reële gelijkheid. Het aantal vrouwelijke parlementsleden schommelt tot aan de verkiezingen van 1974 rond de 3%. Zowel de politieke partijen als de vrouwen zelf vinden een paar vrouwelijke mandatarissen voldoende om de vrouwelijke helft van de bevolking te vertegenwoordigen en om de zachte waarden in de samenleving die vrouwen nauw aan hart liggen, in het parlementair halfrond te verdedigen. Vrouwen krijgen dus geen toegang tot de politiek op grond van gelijke rechten, maar omwille van de "vrouwelijke kwaliteiten" die aan hen worden toegeschreven. Regeringsverantwoordelijkheid krijgen vrouwen voor het eerst in 1965 met de aanstelling van Marguerite De Riemaecker-Legot tot minister. Reeds in 1968 komt een einde aan het vrouwelijk ministerieel intermezzo.
Hoewel na de Tweede Wereldoorlog de participatie van vrouwen aan het onderwijs en aan de arbeidsmarkt voortdurend stijgt, blijft de politiek een mannenbastion. Onder invloed van de groeiende feministische bewustwording in de jaren zeventig wordt dat niet langer geduld. De vrouwenbeweging gaat op zoek naar een oplossing. Omdat iets meer dan de helft van de bevolking uit vrouwen bestaat, ligt een stem-vrouw strategie voor de hand. Door vrouwen op te roepen voor vrouwen te stemmen wordt gehoopt het aantal vrouwelijke verkozenen te verhogen. De eerste acties worden gevoerd in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen van 1970. De stem-vrouw campagne voor de parlementsverkiezingen van 1974 betekent een keerpunt. Het aantal mandatarissen in het parlement verdubbelt.
In 1987 wordt een Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie aangesteld. De stem-vrouw acties worden omgevormd tot stem-voor-evenwicht campagnes. Paritaire democratie wordt het nieuwe sleutelconcept. Dat betekent dat mannen en vrouwen evenredig vertegenwoordigd zijn in alle politieke instellingen. Desondanks stijgt het aantal vrouwelijke parlementsleden niet boven de 10%. Sensibiliseren alleen is dus niet voldoende. Structurele maatregelen dringen zich op.
In mei 1994 wordt de wet Smet-Tobback goedgekeurd. Kieslijsten mogen maximum 2/3 kandidaten van hetzelfde geslacht bevatten. Dat betekent dat minstens één derde van de kandidaten vrouw moet zijn. Als overgangsmaatregel geldt voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 1994 een quotum van 1/4. Het percentage verkozen vrouwelijke gemeenteraadsleden stijgt van 13.8% naar 19.9%. Maar ook quota garanderen geen evenwichtige politieke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen. Vrouwen kunnnen slechts verkozen worden als ze ook verkiesbare plaatsen krijgen. En daar is in de eerste plaats politieke wil voor nodig. Pas dan kan de paritaire democratie definitieve vorm krijgen in onze toekomstige samenleving.
Sofie De Graeve
1 De inhoud van deze tekst steunt op:
- Een vrouw, een stem. Een tentoonstelling over vrouw en stemrecht in België 1789-1946.
- Gubin en Van Molle, Tien vrouwen in de politiek. De gemeenteraadsverkiezingen van 1921, 13-53.
- Gubin en Van Molle, Vrouw en politiek in België, 30-62.
- Smet, "Van stemrecht tot pariteit", 4-5.
- Stem-vrouw. Een tentoonstelling over 30 jaar campagne voor meer vrouwen in de politiek.
De volledige bibliografische annotatie is terug te vinden in de literatuurlijst.

Terug naar de startpagina

Laatste aanpassing op 29 juni 2000 
 © Ontwerp en realisatie door  Claude Storms