WALSBETS: ST-JAN DE DOPERKERK

THEMA: KLEURRIJKE NATUURSTENEN

Foto: Georges Wemans (2003)

Algemene situering van Walsbets

De naam Walsbets vindt zijn oorsprong in “Beche” (akte uit 1139) – in 1221 “Walsbeche”  wellicht als romanisering van het Romaanse baki of beek. Veel later werd het epitheton “wals” bijgevoegd hetgeen duidt op de nabijheid van de taalgrens. Walsbets situeert zich onmiddellijk ten zuiden van Landen-centrum. De historische dorpssite wordt gevormd door de Molenbeekvallei. Latere bewoning spreidde zich uit langs enkele assen vanuit de oude dorpskern in de richting van de Hannuitsesteenweg waar zich lintbebouwing manifesteert. Het dorp was reeds tijdens de Romeinen bewoond. De oostelijk gelegen tumulus Bortomme (vroeger Bartomme, afgeleid van het Germaanse bara of onbegroeid) is een Romeinse begraafplaats uit de 2e eeuw. In 1866 werden de restanten van de Romeinse villa Hemelrijck onderzocht. De valleibodem wordt ingenomen door (deels agrarische) bewoning, weiland en enkele plantages. Op de interfluvia en op de vervlakking overheersen culturen van graangewassen, nijverheidsgewassen, groenten… De Molenbeek ontvangt hier het water afkomstig van een beekje (in 1625 ook Zijp genoemd) dat gevoed wordt door de St-Pietersborn en de St-Makraasborn. Walsbets bleef samen met Wezeren tot in 1795 een dependentie van de heerlijkheid Montenaken (zelf vanaf 1338) behorend tot het prinsbisdom Luik). In 1526 zou Walsbets (tijdelijk) nog afhangen van de meierei van de Gete (hertogdom Brabant). Als dorp van het kanton Landen – Département de l’Ourthe – kwam het in 1830 bij de provincie Luik (arrondissement Waremme) tot het in 1963 opnieuw Brabants (arrondissement Leuven) werd. In 1965 werd Walsbets bij Walshoutem gevoegd om ten slotte geïntegreerd te worden bij de fusiegemeente Landen op 1 januari 1977.

De Romaans-Gotische Sint-Jan De Doperkerk

 De parochie Walsbets, vroeger ressorterende onder het prinsbisdom Luik, maakt sedert 1974 deel uit van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Dienstdoend priester is pater Jozef Lammers die in 2002 zijn 50-jarig priesterjubileum vierde. De kerk was afhankelijk van de Johannieterorde die in deze parochie al in de 13de eeuw beschikte over een hoeve met watermolen te Janshoven. Deze orde gaf haar patroon Johannes de Doper als schutspatroon van deze kerk. 

Onregelmatige plattegrond

Een tweebeukig schip, met vierkant koor, een toren die zich aan de zuidkant van de hoofdbeuk bevindt en de sacristie die op de noordoostelijke hoek van het koor staat, verwijzen naar deze onregelmatige plattegrond.

Zuidertoren met defensief karakter 

Deze Romaans-Gotische kerk is opgetrokken in “tuffeau de Lincent” (zie verder), terwijl de toren een basis in kwartsiet (zie verder) heeft. De toren bestaat uit drie geledingen en bezit talrijke lichtgleuven. Wegens zijn defensief karakter functioneerde deze toren als toevluchtsoord tegen rondtrekkende rovers- en soldatenbenden. Er zijn trouwens geen trappen in. Voor beveiliging klom men via een ladder langs het deurtje in het gewelf naar binnen en trok men de ladder achter zich aan. De ingesnoerde torenspits dateert uit de 17de eeuw. In 1736 bouwde men rond de toren een pastorie, waarbij de toren aan drie zijden werd ingesloten. 

De bouwgeschiedenis van deze kerk gaf nog niet alle geheimen prijs 

Koor en kerktoren vormen de oudste kern van het kerkgebouw. Einde 13de eeuw werd het koor door middel van een schip tot een zaalkerkje omgebouwd. Tijdens de tweede helft van de 18de eeuw werd een nieuwe bekleding aan het kerkinterieur aangebracht waarbij in de oostelijke koormuur het rondvenster en het drieluikenvenster werd dichtgemetseld. Vóór deze muur werd een houten portiekaltaar geplaatst waarin het doek “Doopsel van Christus in de Jordaan” werd ingelijst. In 1931-32 ging men over tot een grondige restauratie van de bouwvallige kerk. Het kerkgebouw werd op drie plaatsen vergroot met behoud van het 13de eeuwse karakter: een zijbeuk en de sacristie werd toegevoegd, terwijl de hoofdbeuk met enkele meters werd verlengd. Het stucwerk en bepleistering met sjablonendecoraties uit 1770 werd eveneens verwijderd. Ten slotte werd de huidige pastorij gebouwd. Het kerkje werd op 12 juni 1933 door mgr. J.L. Kerkhofs van Luik plechtig ingewijd en als monument beschermd bij het KB van 5 mei 1959.

Rondgang in de kerk

 

1.      De toren en het koor (2de helft 13de eeuw) zijn de oudste delen. Eind 13de eeuw werd het koor bij middel van een schip uitgebouwd tot een zaalkerkje. Als men de contouren van de oude blauwe steen volgt merkt men hoe groot het kerkje was tot de laatste ingrijpende restauratie van de jaren 30. Men heeft toen ook de zijbeuk (noorden) aangebouwd, terwijl een tongewelf – reeds aanwezig in het koor - de vlakke zoldering verving. De verschillende trekbalken ondersteunen de dakconstructie. Aan de triomfboog werd een spitsboogvorm gegeven ten behoeve van de architecturale eenvormigheid. De zuidzijde van het schip kreeg een tweede sacristie, aangebouwd via een opengewerkte spitsboog. Ten slotte werden ook de bepleistering en het stucwerk uit 1770 verwijderd. De gewelfribben, die een peerkraalmotief vertonen, rusten op consoles. Het loofwerkmotief stond model voor de verdere profilering van de kapitelen van de pijlers en het tabernakel. Boven de triomfboog prijkt het wapenschild van (1981) van de Hospitaalridders van Sint-Jan van Jeruzalem met hun spreuk:  “Pro fide et utilitate hominem” of “voor het geloof en welzijn van de mensen”.

 2.      Sint-Blasiuskapel (Toren)

Het altaar is voorzien van een antependium met goudbrokaat (midden 19de eeuw). Lindenhouten beeld van Sint-Blasius (1980) – de broodheilige van de kerk - door Meinard Stuflesser uit Tirol, , geïnspireerd door de stijl van Tilman Riemenschneider (1460-1531). Blasius wordt hier aanroepen wordt tegen keel- en kinderziekten. De verering van de H. Blasius is naar hier gebracht door de Hospitaalridders, die elk jaar op het patroonfeest van de heilige op 3 februari hier samenkomen. Glasramen van Joep Nicolas (1934). In de oostelijke glaspartij worden verschillende taferelen uit de vita van de H.Blasius tot leven gebracht: zijn verkiezing tot bisschop, de genezing van een kind dat een visgraat inslikte, zijn verblijf in de woestijn en ten slotte zijn marteldood. Het kleine raam stelt de heilige voor twee gekruiste brandende kaarsen, verwijzend naar het ritueel van de Blasiuszegen. Vrouw met ziek kind en pelgrims omringen de heilige. Het glasraam op de zuidermuur vertoont het H.Hart van Jezus, vereerd door Franciscus van Sales en Margaretha Maria Alacoque. De gewelfsleutel onder de toren, met loofwerk in reliëf gesteld, geeft het kruisribgewelf een extra accent. De toren herbergt drie klokken: een hergoten klok van 350 kg uit 1770, de tweede (200 kg) dateert van 1933, de derde klok uit 1999.

3.      Schilderij van de H.Hiëronymus (17de eeuw) als bijbelvertaler voorgesteld. De H.Hiëronymus is één van de vier Westerse kerkvaders, die in de 4de eeuw een eerste bijbelvertaling heeft gemaakt. Het is een geschenk van de Paters Salvatorianen in Rome. 

4.      Het processiekruis (18de eeuw) en de ijzergesmede lezenaar (15de eeuw) 

5.      Koor

Het vierkant (5m op 5 m) koor uit de 2de helft van de 13de eeuw is aan de zuidzijde met een muurpartij (75 cm) verbonden met de toren. De vraag kan gesteld worden of dit ooit een zelfstandige bidkapel is geweest. De romaanse oculus (rondvenster) en het drielichtvenster onder een drielobbig archivolt in de oostgevel werden gerestaureerd, nadat ze ca 1770 werden dichtgemetseld tijdens bepleisteringswerken en mede het plaatsen van een portiekaltaar. Het blokaltaar (13de eeuw) uit “tuffeau de Lincent” is bedekt met een monoliet uitgekraagd altaarblad uit Gobertangesteen. Afgezien van het rondboogfries, vertoont het altaar veel gelijkenis met dat van Wezeren.

De glasramen in de koorsluiting zijn eveneens van de hand van Joep Nicolas (1934). In het rondvenster merkt men de scheppende hand van God de Vader en het symbool van de Heilige Geest. Het drielichtvenster toont ons het Lam Gods, dat zijn bloed geeft in een kelk, vereerd door engelen en figuren uit het Oude en Nieuwe Testament. In de andere ramen worden de heiligen, Paul Clemens, diaken Laurentius, koning Lodewijk en Sint-Jozef afgebeeld. Zij zijn de patroonheiligen van respectievelijk de burgemeester, de pastoor en de bisschop uit de jaren ’30.

6.      Godskastje of theotheek bestemd voor het bewaren van relikwieën, o.a. met de reliekhouder van de Heilige Blasius.

7.      Neogotisch gepolychromeerd houten beeld van Sint-Jan de Doper

8.      Eikenhouten Mariabeeld met kind (begin 19de eeuw) – vereerd onder de titel O.L. Vrouw van de Bijstand) - met talrijke ex-voto’s (letterlijk: krachtens belofte of voorwerpen als teken van dankbaarheid voor een gebedsverhoring)

9.      Twee houten beelden van St-Petrus en St-Jozef aangekocht in Oberammergau. De glasramen in de zijbeuk zijn van de hand van R. Daniëls uit Sint - Truiden (1947) met de Boodschap, Theresia van Lisieux en het Doopsel van Jezus.

10.  Doopvont van ca 1800. Deze is extra klein omdat ze vroege onder de toren in een hoek moet kunnen geschoven worden.

11.  Biechtstoel (1835) uit Luik met daarboven een deurtje uit de oude kerk met Maltezerkruis.

12.  Schilderij “Doopsel van Jezus in de Jordaan” (anoniem, 17de eeuw), afkomstig uit het portiekaltaar dat rond 1774 werd geplaatst.

Natuursteen

 Tuffeau de Lincent

 Een misleidende benaming

Ten zuidwesten van Landen dagzoomt een gesteente, beter gekend als de tuffeau de Lincent. Historisch-geologisch behoort het tot de étage van het Thanetiaan (oude benaming Onder-Landeniaan, op de vroegere geologische kaarten aangeduid als L1c), lithologisch tot de Landengroep, meer specifiek tot de formatie van Hannut. De Landengroep werd afgezet tussen 60,2 en 54 miljoen jaar geleden. We verkiezen de erfelijk belaste naam “tuffeau” te behouden want de termen tufsteen en (tuf)zandsteen zijn misleidend. Petrografisch is het gesteente het best te omschrijven als een poreuze kalkareniet met opaalcement.

Kleurrijke stenen, doch onderhevig aan de klimatologische omstandigheden

Foto: G. Wemans. St-Amanduskerk Wezeren: schip in Tuffeau de Lincent. Buitenmuren zijbeuken n Sibbesteen.De tuffeau de Lincent werd al aangewend door de Romeinen als fundering voor hun villa’s en door de Merovingers voor het uitkappen van hun grafzerken. Ook beeldhouwwerk in tuffeau werd teruggevonden. Later werd hij toegepast als vuurvaste bekleding van broodovens en in de gewone huizenconstructie (mooi voorbeeld is het dorpje Linsmeau, niet ver hier vandaan). Aan deze steen worden tevens warmte-isolerende eigenschappen toegeschreven. Op zijn mooist komt de tuffeau tot zijn recht in het buitenparement van het Sint-Jan de Doperkerkje. Dit kerkje werd grotendeels (zowel binnen als buiten) met deze steen opgebouwd. Wanneer de steen blootgesteld wordt aan de weersomstandigheden kan het aanwezige pyriet en glauconiet (ijzerhoudende mineralen) oxideren, zodat de blokken lichtgele, oranjegele, roze-roodachtige tinten en roestvlekken vertonen. Een nadeel van deze steen is zijn sterke vorstgevoeligheid (poriën zijn niet met elkaar verbonden) en niet zozeer zijn geringe drukweerstand. Daarenboven is hij onderhevig aan temperatuurschommelingen. Bijna steeds bevinden de muren, opgetrokken in deze tuffeau zich in slechte toestand (kijk naar de afbladderingen, barsten…). Dit noodzaakt ook de geregelde restauratie-inspanningen.

Bemerk ook de kolonisatie van de kalkstenen plinten (zijbeuk) met diverse soorten korstmossen. De raamomlijstingen zijn deels in Lincentsteen, deels in Franse steen. Deze Euville steen is een crinoïdenkalksteen (crinoïden zijn zeeëgeltjes met calcietskelet), bestaande uit middelgrove, hoekige korrels. De Euvillesteen van het portaal vormt een mooi contrast met de roodgeverfde deur. Op bepaalde plaatsen is de tuffeau vervangen door Franse steen, wat heel duidelijke merkbaar is aan het blijvende gele tint van deze laatste.

Binnen in de kerk zijn de muurpartijen (evenals de altaarstipes) grotendeels samengesteld uit tuffeau. In verse toestand is de tuffeau lichtgeel tot groengeel. De stenen kunnen plaatselijk verkiezeld zijn, ze hebben dan een blauwgrijze kleur en zijn beduidend harder dan de gewone tuffeau. Bemerk dat de stenen de sporen dragen van de verwijdering van het pleisterwerk uit 1700. Plaatselijke verkleuringen kunnen te wijten zijn aan vochtopstijgingen of emissies van het kaarsenbranden. De tuffeau de Lincent lijkt in verse toestand oppervlakkig sterk op de tuffeau van Maastricht (Maastrichtersteen) of op sommige Franse stenen. Verwarring is dus mogelijk. Op de toren werd de tuffeau op bepaalde plaatsen vervangen door deze Maastrichtersteen. Als deze laatste verweert krijgt hij een geel-grijze patina.

 Kwartsiet van Tienen

De basis van de toren bestaat uit kwartsiet van Tienen. In het verleden werden alternatieve namen gebruikt als kwartsiet van Overlaar, Rommersom kwartsiet, kwabzandsteen (gemamelonneerde kwartsiet) en zandsteen van Tienen. Het zogenaamde Wommersomkwartsiet – gekend in de archeologie als basis voor de vervaardiging van werktuigen – is een variëteit van het kwartsiet van Tienen.

Een echte kwartsiet?

Boven: aantasting Maaskalksteen door korstmossen; onder: ruwbehakte kwartsieten van Tienen (foto: G.Wemans, 2003)Kwartsiet is in genetisch-geologische termen echter een metamorf gesteente (d.w.z. ontstaan door omkristallisatie van magmatische of sedimentaire gesteenten onder invloed van druk- en temperatuuromstandigheden). Zuiver petrografisch beschouwd zijn deze sedimentaire (ontstaan door afzetting) (kwartsiet)stenen echter verkiezelde zandstenen, vandaar de naam kwartszandsteen met microkristallijn kiezelcement. De naam kwartsiet is echter gewettigd vanuit textureel (diameter en spreiding van de samenstellende korrels) standpunt. Het kwartsiet van Tienen behoort tot de Formatie van Hannut en volgens de oude geologische terminologie tot het Boven-Landeniaan (aanduiding op de kaarten als L2a). Deze gesteenten zijn ruwweg 55 miljoen jaar oud. Ze ontstonden door de cementering van kwartskorrels met kiezel dat neersloeg uit een uitdampend grondwater. Vorige eeuw werd in Overlaar samen met de kwartsietkorst de verkiezelde boomstronken die rechtop naast elkaar stonden zoals in een bos. Bij het graven van een diepe sleuf voor de autosnelweg E40 werd het bos weer aangesneden. Dit gebeurde heel recent opnieuw bij de uitgraving van de HSL-bedding.

Oersterke Haspengouwse stenen met in elkaar gewalste zandkorrels en sporadische wortelsporen

Men merkt aan het buitenparement van de onderzijde van de toren dat deze stenen zeer hard zijn en een overwegend lichtgrijze tot grijze basiskleur hebben met soms licht tot middelbruine schakeringen. Deze laatste zijn het gevolg van de oppervlakkige aanrijking met ijzeroxiden. Deze stenen kenmerken zich door hun weerbestendigheid, te verklaren door de geringe porociteit en de sterke cohesie. Het kwartsiet van Tienen is van grote betekenis geweest voor de architectuur van het Getebekken. Op enkele uitzonderingen na werd het immers het belangrijkste bouwmateriaal van de Romaanse en vroeggotische tijd. Ze werden onder vorm van vierhoekige, soms vierkante stenen aangewend, soms afgewisseld met Gobertangestenen, die ze sinds de hooggotiek grotendeels hebben vervangen. Men heeft deze stenen in de 18de en 19de eeuw overal gezocht om er kasseien van te maken voor de wegen in Vlaams-Brabant en in de andere provincies. Deze kwartsieten zijn echter veel minder aangewend voor de bouw van woonhuizen. Ongetwijfeld heeft dit te maken met hun ondoordringbaarheid, wat voor een woonhuis aanleiding zou geven tot een klam interieur.

Gobertangesteen

Een levendige wit-grijze zandige kalksteen

St-Gertrudiskerk Landen: Kwartsiet van Tienen en door vervuiling aangetaste Gobertangesteen (Foto: G. Wemans, 2003)Het altaarblad (mensa) bestaat uit Gobertangesteen. Deze steen behoort tot de formatie van Brussel, gevormd tijdens het Lutetiaan (Eoceen) tussen  49 en 46,5 miljoen jaar geleden, en vertoont de eigenschappen van een witte zandige kalksteen (soms ook kalkzandsteen genoemd). Zijn karakteristiek uitzicht krijgt hij doordat fijne witte kalkadertjes (met fossielengruis) met grillige biologische verstoringen (bioturbaties) voortdurend afwisselen met grovere lichtgrijze glauconiethoudende meer zandige bandjes en vlekken.

Poreuze parementsteen met hoge bio-receptiviteit en gevoeligheid voor vervuiling

De steen van Gobertange is dikwijls klein en werd doorgaans slechts als parementsteen aangewend. Vermits ze gemakkelijk splijten, kregen ze een toepassing als vloertegels. Daar ze nochtans uit de groeve in grote platen worden betrokken, werden ze ook gebruikt voor vlakke gehouwen elementen (leuningen, kornissen, traptreden, schoorsteenmantels, altaarbladen…). Zijn opgang begon pas goed in de 15de eeuw in het oostelijk gedeelte van Vlaams-Brabant. Vanaf het begin van de 19de eeuw mocht de Gobertangesteen zich in een nooit geziene populariteit verheugen. In muren die regelmatig door het regenwater worden bevloeid toont de Gobertangesteen zich op zijn mooist. De bioturbaties worden geëtst door selectieve, oppervlakkige oplossing van de verschillende calcietfracties, die een levendig patroon doet ontstaan. Door de vrij hoge porociteit is dit gesteente vrij ontvankelijk voor de aantasting door organismen (micro-organismen, hogere planten… dus hoge bio-receptiviteit). Op beschutte plaatsen stapelt het gips zich op (korstvorming) en verpulvert de steen langzaam. Zure regen, roet en vuil zijn tevens geduchte vijanden van deze steen. Er is nu nog een beperkte exploitatie te Mélin-Gobertange. Op bepaalde plaatsen worden ze ook door Franse steen vervangen.

 

 

Blauwe (hard)steen

De nu nog zichtbare vloer van de kerk daterend van vóór de jongste harde restauratie bestaat uit de zogenaamde blauwe steen, (grauwe) arduin (petit granit)… De blauwe hardsteen is een speciaal faciës van de Boven-Tournaisiaan kalksteen. (Onder-Carboon of Dinantiaan ; tussen 360 en 325 miljoen jaren geleden afgezet). Het is een typische crinoïdenkalksteen, zeer compact en donkergrijs. Hij wordt ontgonnen in de streek van Neufvilles – Zinnik – Ecaussines en in de Ourthevallei. In de Vlaamse steden (vanaf de 18de eeuw) krioelt het van voorbeelden waar blauwe hardsteen werd gebruikt in straatmeubilair, in trappen, vensterbanken, voetstukken, zuilen, grafstenen, in bevloering en in allerlei muurbekledingen waarvan sommige gepolijste platen als marmer worden aangeduid.

(naar de brochure van OMD-2003 - Steen - lokaal comité: dr. G.Wemans)