iva_titel.gif (11456 bytes)

Bijdragen

aztline.jpg (5160 bytes)

Cochenille, de jacht op het volmaakte rood.

AMY BUTLER GREENFIELD - Het volmaakte rood. Macht, spionage en de zoektocht naar de kleur van passie.

Vertaald door Meile Snijders, Amsterdam, De Bezige Bij, 2005, 336 blz. Oorspronkelijke titel: A Perfect Red. Empire, Espionage, and the Quest for the Colour of Desire.

DE AUTEUR: Amy Butler Greenfield (1968) is historica. Ze schreef eerder historische jeugdboeken. 

Op enkele aanvullingen na is deze bespreking bijna volledig ontleend aan de recensie van Marijke Arijs in De Standaard der Letteren van donderdag 8 september 2005.

Enkele jonge kunstenaars tonen ons hun traditionele motieven, geschilderd op papier van boombast. Voor het diepe karmijnrood op hun schilderij gebruiken zij cochenille, de even traditionele kleurstof van hun voorouders, de Azteken. Cochenille-rood wordt vervaardigd uit minuscule gedroogde en gemalen schildluis, een uitermate kieskeurig insect, dat uitsluitend leeft op slechts enkele welbepaalde varianten van de nopalcactus: daarop en nergens anders. Bijna was cochenille voorgoed verdwenen in de coulissen van de geschiedenis, vervangen door synthetische kleurstoffen. Maar mensen als deze kunstenaars telen opnieuw de cactus en de luisjes.

We hebben de laatste jaren al cultuurhistorische studies gehad over de aardappel, maïs, de tulp, de kokosnoot, chocolade en zelfs het kompas, lengtegraadbepaling en porselein (1). (Ongetwijfeld zijn er nog veel meer voorbeelden aan onze aandacht ontsnapt.) Zeker is dat Etnobotanie (2), die de invloed van planten op menselijke culturen bestudeert, de laatste halve eeuw enorm aan belang gewonnen heeft in het archeologisch en cultuurhistorisch dispuut tussen isolationisten en diffusionisten. (Isolationisten denken dat elke geïsoleerde cultuur op zichzelf ontstaan is, zonder invloed van buiten; diffusionisten geloven dat ook tussen ver van elkaar verwijderde culturen zelfs in een ver verleden contacten mogelijk waren.)

Spionnen, avonturiers en piraten zijn vaste prik in avonturenromans, maar in geleerde verhandelingen tref je ze zelden aan. Het volmaakte rood is de spreekwoordelijke uitzondering op de regel. 
Dit non-fictiewerk beschrijft de geschiedenis van cochenille, een kleurstof die tegenwoordig beter bekend is als E120 en zelfs voor snoep en drankjes wordt gebruikt.. De hoofdrol in dit boek is weggelegd voor de Dactylopius coccus. Het beestje leeft op de nopal, een cactus uit Zuid-Mexico, die meer dan tweeduizend jaar geleden al door de Azteken werd geteeld. Gedroogd en gemalen levert het de meest intense, duurzame en kleurvaste verfstof op die in de natuur te vinden is. Of juister: het zijn de zwangere vrouwtjes (herkenbaar aan een uitgroeisel als geel pluis) die de kleurstof leveren. 

Wie een oersaai onderwerp als de geschiedenis van een kleurstof wil behandelen, moet van bijzonder goeden huize zijn, maar aan Amy Butler Greenfield, een door de wol geverfde historica, is deze klus wel toevertrouwd. 

Greenfield verrichtte in Sevilla research naar de import van chocolade uit de Nieuwe Wereld en ploos er de zestiende-eeuwse scheepsregisters op na, waarbij ze om de haverklap op de term ,, grana cochinilla '' stuitte. Kennelijk was cochenille destijds stukken belangrijker voor de Spaanse economie dan cacao, want het goedje werd met tonnen naar het moederland verscheept. Na zilver was de scharlakenluis het belangrijkste exportproduct van Nieuw-Spanje. Deze kostbare grondstof kon oorlogen ontketenen en rijken ten val brengen, werd gebruikt als een politiek wapen tegen de Hollandse en Engelse protestanten en was de inzet van een meedogenloze strijd. 

Hoe vreemd het ook mag klinken, er was een tijd dat mensen hun leven op het spel zetten voor een kleurstof. In de textielbranche heerste een moordende concurrentie en industriële spionage was schering en inslag. Vooral rode verfstoffen waren uiterst schaars en peperduur. Alleen de rijken en machtigen konden zich een dergelijke luxe veroorloven. 

Toen Hernán Cortés en zijn kompanen Mexico veroverden, ontdekten ze bij de Azteken in Oaxaca een volmaakte rode kleurstof, die krachtiger en duurzamer was dan meekrap, henna en cinnaber. In de Codex Mendoza, dat unieke document, vind je in het tweede deel de schattingslijsten van Moctezuma (3). Die wijzen uit dat in Pre-Columbiaans Anahuac, het Aztekenrijk, sommige streken balen cochenille als schatting moesten afdragen aan het centrale gezag. Waaruit blijkt dat de kleurstof toen reeds een kostbare en gewaardeerde grondstof vormde.

De conquistadores waren vooral tuk op goud en edelmetalen en hadden over het algemeen weinig oog voor dingen als bijvoorbeeld verenweefsels of jadeïet, die voor de Azteken minstens even kostbaar waren. Maar Spaanse handelaren zagen de commerciële mogelijkheden van dit product maar al te goed in. Na 1519 werd cochenille met hele scheepsladingen tegelijk naar Spanje getransporteerd en op de Europese markt gegooid.

Stoffenververs waren de gretigste afnemers, maar ,,grana'' werd ook gebruikt door kunstschilders en in medicijnen, cosmetica en voedsel. De Spaanse kroon verdiende er fortuinen aan en hield de herkomst van deze lucratieve handelswaar angstvallig geheim. Wetenschappers, piraten en avonturiers werden ingeschakeld om het Spaanse monopolie te doorbreken. 

Voor zeerovers als Francis Drake was een lading cochenille een gegeerde buit. Spionnen en ontdekkingsreizigers waagden hun hachje om het spul te bemachtigen en alchemisten, geleerden en wetenschappers probeerden het geheim van de spectaculaire verfstof te ontraadselen. Want net als dat het geval was voor Chinees porselein, had men geen flauw benul van de herkomst. Met de meest krankzinnige theorieën tot gevolg. Was cochenille dierlijk, plantaardig of mineraal? Was het een zaadje, een worm of een bes, of was het een bes die in een worm veranderde? Het zou een paar eeuwen duren voor de mysterieuze korrels hun geheimen prijsgaven. ,,De cochineel is een insect, maar wordt geboren uit een cactus, de moedervrucht'', beweerde de Engelse piraat William Dampier aan het eind van de zeventiende eeuw. Volgens hem oogstten de indianen de luizen door de cactussen heen en weer te schudden, zodat de beestjes zich letterlijk doodschrokken. 

Cochenille-luis in gedroogde vorm

De Nederlanders Antonie van Leeuwenhoek en Nicolaas Hartsoeker forceerden op het eind van de zeventiende eeuw een doorbraak in het debat en de discussie werd definitief gesloten dankzij Melchior de Ruusscher, een Hollandse gokker die getuigenverklaringen verzamelde over de herkomst van de kleurstof en het ultieme bewijs leverde dat de cochenille een insect was. 

Hoe de scharlakenluis zich voortplantte bleef voorlopig een raadsel. Sommige onderzoekers meenden dat de wijfjes bevrucht werden door een goddelijke instantie, zodat de maagdelijkheid van deze schildluizen zeer werd geprezen. 

Zodra vaststond wat cochenille precies was, ondernamen de Fransen, Engelsen, Portugezen en Nederlanders expedities om levende specimens te ontvoeren, maar dat liep niet van een leien dakje. De ontvreemde exemplaren stierven nog voor ze hun bestemming bereikten of vertikten het om zich elders te vermenigvuldigen. De kieskeurige diertjes bleken alleen in hun eigen biotoop te gedijen. 

Pas ten tijde van de Latijns-Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlogen ging het Spaanse monopolie aan diggelen. Halverwege de negentiende eeuw werden de insecten ook in Guatemala, op Java en op de Canarische eilanden gesignaleerd, de productie nam toe, de prijs zakte en de vraag kelderde, want sinds de Franse revolutie was scharlakenrood uit de mode.

In het Victoriaanse tijdperk werd de kleur van liefde en hartstocht alleen nog geassocieerd met veile vrouwen, zonde en verderf, en uiteindelijk gaf de moderne wetenschap de cochenille-industrie de doodsteek. De fatale klap werd toegediend door William Henry Perkin, de Britse scheikundige die de eerste synthetische kleurstoffen produceerde. 

Felle kleuren, die eeuwenlang een privilege van de rijken waren geweest, werden zo goedkoop dat ze hun waarde en status verloren. Rood, dat sinds de Oudheid bovenaan stond in de kleurenhiërarchie, werd verdrongen door zwart en blauw. Tegenwoordig wordt cochenille vrijwel alleen nog gebruikt in cosmetica en voedingswaren. Het wordt verwerkt in rouge, lippenstift en oogschaduw, snoepjes, ijs, yoghurt, vruchtensap, appelmoes, pudding, kaas, hoestsiroop en Campari. 

Amy Butler Greenfield, die academische degelijkheid paart aan een vlotte pen, brengt de lezer de basisbeginselen bij van de cochenilleteelt en de stoffenververij, maakt hem wegwijs in de wereld van ververs en wevers en pikt en passant een fikse brok Europese geschiedenis mee. Het boek is voorzien van een indrukwekkend notenapparaat. De schrijfster strooit gul met smeuïge anekdotes en interessante weetjes, bezigt een taal die elke lezer kan behappen en hanteert verteltechnieken waar menig romancier een punt aan kan zuigen. Vandaar dat Het volmaakte rood behalve een leerzaam ook een bijzonder onderhoudend uitgaafje is, dat zelfs de meest weerbarstige lezer zal bekoren. 

Jos Martens


(2) Balick, M. & P. Cox, Etnobotanie. De rol van planten in de menselijke cultuur, Beek, Natuur & Techniek, 1998. 

Terug naar tekst...: Klik hier

aztline.jpg (5160 bytes)

TERUG NAAR BIJDRAGEN

aztline.jpg (5160 bytes)
naar startpagina

Deze pagina is een onderdeel van een site met frames. 
Als de navigatieknoppen links ontbreken, kun je via de ikoon naar de startpagina met de taalkeuze.