iva_titel.gif (11456 bytes)
aztline.jpg (5160 bytes)

Raymond Paeshuys

De Gevederde Antwerpenaar

aztline.jpg (5160 bytes)
Wat doe je zoal op een heerlijke zonnige nazomerdag ? Je tracht te genieten van die 'Indian summer' al kuierend door de Sinjorenstad. En plots wordt je ervan bewust dat doorheen deze opgebroken stad allerlei 'Indianen' naar je staren !

Onderhavige bijdrage is dan de neerslag van dit Indiaans toerisme in eigen stad
Wat onmiddellijk opvalt is dat het steeds met veren getooide Indianen betreft en dat zij heel dikwijls symbool staan voor het continent Amerika.

Antwerpen indiaan tolkenschoolEen treffend voorbeeld merken we op als gevelversiering van de Tolkenschool, officieel het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken (Schilderstraat 41, nabij de achterzijde van het Museum voor Schone Kunsten).
Vroeger bood dit neobarokke complex, daterend van 1893-1897, onderdak aan het Hoger Handelsgesticht. Het ontwerp is van de heren F. Sel en F. Truyman.

Boven vier vensters van de eerste verdieping, in een halfronde boog, treffen we de uitbeelding van vier werelddelen aan. Oceanië, einde van de 19e eeuw voor handel en economie van weinig belang, ontbreekt.
Een ondefinieerbare Indiaan, met alles behalve Indiaans uiterlijk, prijkt midden langwerpige bladeren en kleine bloemen. Hij heeft lange haarvlechten en draagt in beide oren een rond sieraad, de veren hoofdtooi netjes rond het hoofd gedrapeerd. Op de borstplaat, duidelijk leesbaar, AMERIKA.

Een speelser voorbeeld vinden we op de gevel van het postgebouw Grote Hondstraat 40 (wijk Zurenborg, nabij Dageraadplaats)
(foto 2).
indiaan antwerpen zephir Deze Indiaan staat voor zephyr (zefier) de koele, zachte westenwind. Onze Indiaan blaast zelfs die wind, zodat de oh zo mooie Hollandse molens kunnen draaien. Een Indiaan te midden van Hollandse molentjes… het moet kunnen.
De naam zephyr is afgeleid van Zephyrus (Zephuros) de westenwind, zoon van Astraeüs (de vader van winden en gesternten) en Eoos (of Eos, het morgenrood -godin van de dageraad-, bij de Romeinen Aurora).
Zephyrus (bij de Romeinen is dit Favonius) schaakte Chloris en schonk haar de heerschappij over de bloemen. Bij de harpij Podarge verwekte hij Xanthus en Balius, de paarden van Achilles. Vitale kerels die oude Goden !
Maar goed, onze Indiaan staat hier voor het Westen of bij uitbreiding voor het 'Westelijk Halfrond'

Verder in de Grote Hondstraat zien we op de gevels nog de even fraaie afbeeldingen van Notus -zuidenwind, het zuiden- (nr. 38), Eurus -oostenwind, het oosten- (nr. 46) en Boreas -noordenwind, het noorden- (nr. 48). Het betreft hier vier Art Nouveauhuizen, naar een ontwerp van A. Cols en A. Defever uit 1902.

stadspark Antwerpen beeld Amerika We maken nu een sprong naar het Antwerpse stadspark (of wat er van overblijft). Hier, nabij de Rubenslei, het beeld 'Amerika'.
Dit beeld, van een anonieme ontwerper, werd vermoedelijk gebeeldhouwd in de 18e eeuw. Het is vervaardigd in Franse steen en is een 2,10m hoog.
Voorgesteld is een vrouwenfiguur met naakt bovenlichaam. Ze is gekleed in een veren rok en draagt een veren hoofdband. Als attributen beschikt zij over een (nu afgebroken) boog en draagt een gevulde pijlenkoker op de rug. Ook haar rechter voorarm is afgebroken. Aan haar voeten ligt een afgesneden hoofd of de voorstelling van een masker. Was zij een koppensnelster of een Indiaanse 'femme fatale'?
Het beeld werd door het stadsbestuur aangekocht op 7 april 1856 (samen met het beeld 'Afrika') en in het park geplaatst circa 1869.
Met dit beeld verschijnt een nieuw element: de Indiaan als jager.

Antwerpen zoo beeld: Jager met buitWe wandelen verder naar de dierentuin. Hier in de Zoo vragen twee beelden onze aandacht. Beiden zijn van de kunstenaar Jozef Geefs (Antwerpen 1803- Brussel 1885). Geefs werd in 1841 professor aan de Antwerpse Academie en in 1876 directeur.
Het eerste beeld 'Jager met buit' is uitgevoerd in zandsteen en heeft een hoogte van 3,15m. 
De eerste directeur van de Antwerpse Zoo, Jacques Kets, gaf Geefs de opdracht dit beeld te maken. Kets was directeur van 1843 tot 1865. Vermoedelijk is het niet gedateerde beeld dus tussen deze jaren tot stand gekomen.
Het beeld stelt een geïdealiseerde jager met zijn prooi (een hertje ?) voor, een thema dat je in een dierentuin nu niet onmiddellijk zou verwachten.
De jager, weer met veren hoofdtooi en dito rok, draagt rechts een mes in een foedraal en een soort tomahawk in zijn gordel en houdt links een speer in de hand. Op de rug draagt hij een gevulde pijlenkoker, er is echter geen boog te bespeuren. Rond zijn hals merken we de uitbeelding van een typisch sieraad mogelijk uit berenklauwen samengesteld. Dergelijk sieraad werd reeds door George Catlin (1796- 1872) afgebeeld, toen hij rond 1845-46 Witte Wolk schilderde. Deze schilderij wordt in het Musée de l'Homme te Parijs bewaard en we vinden ze afgebeeld in de catalogus 'Indian Summer': 242.
Rond armen en enkels merken we riempjes op, verder is hij blootsvoets.

Antwerpen zoo beeld: indiaanse ruiterHet andere beeld van Jozef Geefs is de 'Indiaanse ruiter aangevallen door twee jaguars'. Is eveneens van zandsteen (kalksteen volgens een andere bron) en is gedateerd 1869. De opdrachtgever was nu Jacques Vekemans, directeur van de Zoo van 1865 tot 1888.
Is hier opzettelijk het evenwicht hersteld nu de Indiaan de prooi van dieren wordt ?

Deze Indiaan, met veren hoofdtooi maar nu met een soort lendendoek, verdedigt zich met een, schijnbaar metalen, mes (nu helaas afgebroken). Bij nader onderzoek van een oude foto blijkt dat onze Indiaan geen mes maar ooit een bijl in de hand hield. 
(Zie op internet: www.beeldbankzoo.be/ thema Kunst-beeldhouwwerken, pagina 8). 

Aan zijn berenklauwen halssieraad hangt een ronde penning. Soortgelijke medailles werden eertijds door de Engelse en Amerikaanse overheid aan hoofdmannen gegeven als erkenning van hun leiderschap, of uitgereikt bij het afsluiten van een overeenkomst (Treaty medal). Later als herdenkingspenning bij de installatie van een Amerikaanse president (Inauguration medal)

De volgende halte op onze wandeling is de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.
De huidige kathedraal, de trots van alle Sinjoren, werd gebouwd van 1352 tot … 1521 en tijdens de daarop volgende eeuwen werden er nog tal van voltooiïngswerken uitgevoerd. Wie durft nog klagen dat de huidige werken te Antwerpen te traag verlopen ?
Maar over de architectuur van de kathedraal gaan we het nu niet hebben, wel over het meubilair en meer bepaald over de preekstoel.
Deze eiken preekstoel werd in 1713 gesneden door Michiel van der Voort de Oude 'meester Constbeldhouwer'. De kansel was eigenlijk een bestelling voor de Sint Bernardusabdij te Hemiksem. De trappen die we nu rond deze preekstoel zien, zijn in 1818- 1820 bijgebouwd door H. Viddeleer. Dat de volledige trappenpartij pas in 1855 vervaardigd werd, wordt echter tegengesproken door de beschrijving die Van der Sanden van de kansel geeft in de 18e eeuw. 
Michiel van der Voort (1667- 1737) was leerling van H. Cosyns en Pieter Scheemakers de Oude en werd meester in de St.-Lucas gilde in 1690. Hij trekt naar Rome en verblijft verschillende jaren in Italië, waar hij in contact komt met de antieken. Zijn oeuvre, vooral in de hier besproken preekstoel, laat de overgang zien van laat-barokke naar een meer naturalistische stijl.
Andere bekende werken van M. van der Voort zijn: marmeren grafmonumenten van aartsbisschop Humbertus G. de Precipiano en zijn broer generaal Prosper de Precipiano (beide werken in de kathedraal van Mechelen); het borstbeeld van raadsheer Jacob Fr. Caverson (Mus. Brussel); 'Oprichting van het kruis' uit 1720 (St-Jacobskerk, Antwerpen); kansel voor de abdij van Leliendael uit 1721 (nu in de kathedraal van Mechelen); bichtstoelen (nu eveneens in de kathedraal van Antwerpen).
Antwerpen kathedraal preekstoel Amerika Door de Franse bezetter werd de Cistercienserabdij van Hemiksem in 1798 afgeschaft en de inboedel werd door de paters te koop aangeboden. Op 4 augustus 1803 besloot de kerkfabriek de preekstoel aan te kopen en deze werd in december 1803- januari 1804 in de Antwerpse kathedraal opgesteld. 
De kuip van de preekstoel wordt gedragen door vier schraagbeelden, mooie dames die de vier toen bekende werelddelen voorstellen. Volop in het licht Europa (die de scepter van de geloofskennis vasthoudt), gedeeltelijk verlicht Azië, het donkere Afrika en ten slotte naast Europa, een Indiaanse vrouw die voor Amerika staat.

Amerika pronkt hier, blootsvoets en met naakt bovenlichaam, met een prachtig gedrapeerde lendendoek en een pluimen kroon. Haar borsten zijn zedig bedekt met de voorstelling van een vermoedelijk pluimen halsdoek.
Zij raakt op subtiele wijze, als een zoekende, de pols van de Europese kristen vrouw. Zoekt het 'barbaarse' Amerika hulp?
Nu is, volgens Floris Prims de vroegere stadsarchivaris, deze prachtige figuur Pocahontas.
Prims steunt hierbij op een tekst van Jos Remes. Jos Remes schreef in de late jaren 40 van de vorige eeuw 'Gids van O.L.Vrouw-kerk'.
Hierin verklaart hij dat verschillende Amerikaanse soldaten Pocahontas herkenden. "Sommige hadden muntstukken bij, waar ze [Pocahontas] op afgebeeld stond", aldus Remes.
Als bewijs maar magertjes, trouwens staat Fl.Prims (1882- 1954, stadsarchivaris buiten kader van 1925 tot 1948) niet gekend als een gedegen bronnenonderzoeker. Hoe zou Michiel van der Voort een afbeelding van Pocahontas onder ogen gekregen hebben ? Maar toch … si non e vero, e ben trovato !
Antwerpen kathedraal preekstoel Pocahontas
Het verhaal van Pocahontas (dat plaats vond in de winter van 1608) is wel door iedereen gekend, zeker na de tekenfilm van de Disney-studio's (1995). Maar rond Pocahontas is veel gefantaseerd.
Zo zou John Smith (1580?- 1631) zijn wonderbaarlijke redding door de 12 jarige, favoriete dochter van het stamhoofd Powhatan slechts 17 jaar na de feiten uitvoerig vertellen. Vele historici twijfelen aan de exactheid van zijn verhaal.
Chr.F. Feest veronderstelt dat, wat Smith als zijn terechtstelling beschouwde, vermoedelijk een adoptieritueel was. Met het symbolisch doden van de Engelsman en zijn wedergeboorte in de familie van Powhatan (als zijn aangenomen zoon Nantaquod) wilde het stamhoofd de Engelse kolonie aan zijn stammenfederatie binden.
De zogezegde 'terechtstelling' van J. Smith doet trouwens sterk denken aan het 'huskenaw'-ritueel. Hierbij worden een groep jongeren, tussen de 10 en 15 jaar, door de chief uitgekozen en symbolisch gedood. Met behulp van verdovende middelen worden zij van al hun herinneringen beroofd en na 9 maanden van isolatie en onderwijs door priesters, herboren als religieuze of politieke leiders. Het bestaan van een zo krachtig verdovend middel wordt nu wel in twijfel getrokken, misschien was dit een symbolische breuk met het kind-zijn of een uiting van de verplichte geheimhouding.

Pocahontas (ca 1595- 1617), haar echte naam was Matoaka (de Speelse, de Schalkse), wordt in 1613 aan boord van een Engels schip gelokt en gevangen gehouden. Haar gijzeling moest een dreigende oorlog met Powhatan voorkomen. Tijdens haar gevangenschap bekeert ze zich tot het Christendom, ontmoet en huwt John Rolfe. Mogelijk was ze reeds in 1610 gehuwd met de jonge Indiaanse krijger Kocoum.
John Rolfe moet eerst de toestemming om Pocahontas te huwen, krijgen van Thomas Dale, leider van de kolonie. In zijn aanvraag beschrijft Rolfe zijn aanstaande bruid als: "iemand wiens opvoeding ruw was, haar manieren barbaars, haar generatie vervloekt". Is dit geen schoolvoorbeeld van een 'mariage de raison' of een gearrangeerd huwelijk ?
Pocahontas, nu Rebecca Rolfe, bezoekt in Engeland het koninklijk hof, waar ze als 'Prinses van Virginia' werd voorgesteld.
Tijdens haar reis naar Engeland wordt Pocahontas ten minste door 10 andere Powhatan-Indianen vergezeld. Één van de mannen Uttamakomak (of Tomocomo) en verschillende meisjes blijven voor een tijd in Engeland. Mogelijk zijn de meisjes in 1621 naar de Bermudas gezonden om daar kolonisten te huwen.
Koorts velt Pocahontas op 22-jarige leeftijd, juist voor de terugkeer naar Amerika met haar man en haar zoontje Thomas. Zij ligt begraven in Gravesend (plaatsje aan de Thames ten oosten van Londen).
Via Thomas Rolfe claimen nu nog vele Amerikanen afstamming van Pocahontas.
Ongetwijfeld heeft Pocahontas, zeker in de jaren voor haar huwelijk met John Rolfe, een beschermende rol gespeeld voor de Engelse kolonie. Is zij daardoor bekend geraakt bij Michiel van der Voort ?

Interessant is het om even stil te staan bij de figuur van Powhatan (ca 1547- 1618) en zijn tijd.
Powhatan (zijn echte naam was Wahunsonacock) was de stichter van een naar hem genoemde confederatie van typische, Algonkin-sprekende groepen langs de Atlantische kust van Virginia. 
In plaats van confederatie spreken we beter van een autocratisch, kleinschalig, koninkrijk of van een gecentraliseerd hoofdmanschap. Door overerving, huwelijksbanden en vooral manu militari was Powhatan erin geslaagd enkele jaren voor de komst van de blanken verschillende andere Algonkin-sprekende stammen aan zijn gezag te onderwerpen. Van een vrijwillig verbond was er nauwelijks sprake. Zo schonk Powhatan sommige van zijn vrouwen (polygynie was de regel bij de hogere klasse) weg aan vrienden/vazallen om zo bondgenootschappen te verstevigen.
Dit Powhatan-hoofdmanschap was op het hoogtepunt van zijn macht toen de Engelsen (in opdracht van de London Company, later de Virginia Company) Chesapeake Bay binnenvaarden en in 1607 Jamestown stichtten.

Powhatan verbleef tussen 1607 en 1609 in het dorp Werowocomoco, aan de oever van de York-rivier een 12 mijlen van Jamestown verwijderd. Dit dorp zou, volgens een krantenbericht uit 2003, nu gelokaliseerd zijn (De Gelderlander. 2003, mei; met dank aan de Yumtzilob-website).

De eerste jaren van het Europees contact versterkten trouwens de positie van Powhatan als opperste 'chief' van zijn koninkrijk. Hij heeft het monopolie over de handelsbetrekkingen met de Engelsen en oordeelt over het al of niet beginnen of eindigen van de vijandelijkheden met hen. Op last van de Engelse koning wordt Powhatan zelfs gekroond en ontvangt hij geschenken (een kroon, scharlaken cape, een log bed met een kan en een schaal en andere 'kostbaarheden'). Al bij al is dit openlijk plaatsen in vazaliteit van Powhatan een potsierlijke gebeurtenis geworden, waarbij Powhatan eerst weigert te knielen om gekroond te worden. Soldaten moeten de harde hand gebruiken om de ceremonie tot een goed einde te brengen.
Powhatan trapt trouwens niet in de val en geeft, als koning, de Engelse vorst tegengeschenken: zijn oude mocassins en zijn mantel. Hij huldigt het principe van de reciprociteit onder gelijken ! De geschonken mantel is, volgens de overlevering, nog te zien in het Ashmolean Museum te Oxford. Uit de catalogus van het museum blijkt echter dat de zogenaamde 'mantel van Powhatan' helemaal niet van Powhatan kan zijn en dat het naar alle waarschijnlijkheid zelfs geen mantel betreft. De met een mensenfiguur, twee dieren en 34 spiralen versierde huid van het witstaarthert (of Virginia-hert, Odocoileus virginianus) is denkelijk wel afkomstig uit een tempel/schatkamer van de Virginia-Algonkin maar uit een iets latere tijd.

De Indianen van Virginia waren in de 16e- 17e eeuw voornamelijk jagers, vissers en verzamelaars van wilde planten (wortels, noten, eikels). Akkerbouw was voor tenminste ¼ verantwoordelijk voor het voedselpakket. Op de brandcultuur-velden werden verschillende soorten maïs, twee soorten bonen, pompoenen, kalebassen, passievrucht en tabak geteeld. De blanken overleefden de eerste jaren in de 'Nieuwe Wereld' dankzij produkten van de akkerbouw, jacht- en visvangsttechnieken van de Indianen overgenomen of gestolen.
Het ledental van de verschillende Powhatan-groepen varieert van 65 (Kecoughtan) tot ruim 1.330 (Caposepock en Pamareke). De groep van Powhatan zelf telde ongeveer 135 à 165 leden. In de totaliteit varieert het aantal van de circa 27 gemeenschappen, naargelang de bron, van een 3.900 tot een goede 10.400.
Powhatan kon beroep doen op een kring van raadgevers en invloedrijke priesters (samen de hogere klasse) en hij beschikte over een soort bodygard van tenminste 50 krijgers, een soort staand leger in tijden van vrede. Hij verwierf ooit het leiderschap door zijn persoonlijke kwaliteiten minder dan door overerving. Dat hij naaste familie en uiteindelijk erfgenaam was van Don Louis, een belangrijk leider wiens familie heerste over de stammen wonende langs de beneden York zal toch wel een rol gespeeld hebben, denk ik.
De macht van Powhatan bleek ook uit zijn ceremoniële verplichtingen, zijn voorzitterschap van religieuze festiviteiten, het berechten van misdadigers, het innen van schattingen, het laten bewerken van zijn velden en, zoals reeds gezegd, zijn fiat over oorlog en vrede.
Zijn rijkdom werd in speciale opslaghuizen (meestal in 'tempels') verzameld. Zo handelden trouwens alle stamhoofden. In die tempels bevonden zich ook de grafplatformen waarop de lijken van de overleden chiefs werden bewaard.

In de tweede helft van de 17e eeuw komt de macht van het koninkrijk stilaan aan zijn einde.
Powhatan, leider en tevens een bindend element, wordt na zijn dood (1618) opgevolgd door zijn broer Opichapan die zeer vlug wordt vervangen door een jongere broer Opechancanough (hij die in 1607 kapitein Smith gevangen nam).
De opvolging van leiders gebeurde via de lijn van de moeder (matrilineair): eerst een broer dan een zoon van een zuster van de overledene, nooit zijn eigen zoon. Dit is een opvolgingsregel niet gebruikelijk bij de overige Algonkin-stammen van het Noordoosten. Des te opvallender daar het vestigingsprincipe bij een huwelijk wel patrilokaal is, de bruid trekt in bij de familie van haar man. Is deze opvolgingsregel voor het leiderschap ontstaan onder invloed van meer zuidelijke culturen of van de Irokezen?
Opechancanough, een felle tegenstander van de Engelsen, beweegt zowel Powhatan- als andere Oostkust-stammen tot een algemene aanval op de Virginia-kolonies. Tot tweemaal toe (in 1622 en 1644) behaalt hij grote, maar wrede, overwinningen maar buit deze niet (of te laat) uit.
Later in 1644 wordt hij (een stokoud man) uiteindelijk verslagen, gevangen genomen en vermoord.

Verdere nederlagen, ziekten en isolatie van de Indianengemeenschappen te midden Blanke dominantie, hebben desintegratie en verval bewerkstelligd.
Volgens de kaart 'Land van de Indianen' (bijlage Nat. Geographic. 2004, sept.) en de lijst 'Virginia Algonquian' (samengesteld in Chr. F. Feest. 1978) leven in Virginia nog Mattaponi, Nansemond en Pamunkey, door de federale regering erkende, stammen van de ooit zo machtige Powhatan-natie.

Na dit lange oponthoud in de kathedraal, er is toch zoveel te bewonderen in deze gotische tempel, begeven we ons nu een heel stuk verder naar Borgerhout.
Hier in het Sint-Xaveriuscollege (Collegelaan 36) heb ik dankzij pater Windey "den driehoek" ontdekt.
Antwerpen Xaveriuscollege pater De Smet In dit enorme schoolcomplex zijn gangen en hallen van onder tot boven versierd met zwart-wit muurtekeningen in houtskool van de hand van Alfred Ost. De driehoek, een hall aan de achterzijde, vormt hier geen uitzondering en mijn Indianen-freaken-hart begon sneller te slaan bij het zien van pater De Smet te midden van zijn Indiaanse bekeerlingen.

Alfred Ost werd op 14 februari 1884 te Zwijndrecht geboren en genoot te Mechelen en Antwerpen zijn artistieke opleiding. Tijdens W.O. 1 verbleef hij in Nederland, waar hij zich inzette voor noodlijdenden en krijgsgevangenen. Terug in België, dong hij naar een leraarsambt aan een Academie of Hoger instituut. Niet opportunistisch ingesteld, ging hij elke politieke groepering voorbij en bleef kandidaat zijn leven lang. Ten slotte bracht hij het tot tekenmeester in het lager onderwijs te Antwerpen (1921- 1930) en te Borgerhout (1929- 1942). Op 9 oktober 1945 overleed hij te Antwerpen.
Tijdens W.O. 2 maakte hij dan uit erkentelijkheid en pro deo in het St.-Xaveriuscollege en te Brasschaat in het St.-Michielscollege de grote muurtekeningen waarvan sprake.
Ost kennen we uit tekeningen, litho's en affiches als uitbeelder van kermissen, bedevaarten en schepper van dierenfiguren (vooral zijn 'Ostiaanse' paarden zijn bekend). Zeer aangrijpend is zijn reeks tekeningen over de brand van het circus Sarrasani (Berchem, januari 1932). Een belangrijke reeks tekeningen zijn nu eigendom van de Antwerpse Zoo.

Pieter-Jan De Smet (1801- 1873) studeerde filosofie te Mechelen en kwam in 1821 in contact met Charles Nerinckx, missionaris in Kentucky, die zendelingen kwam werven voor de Amerikaanse missies.
Reeds gefascineerd door Indianen, verliet P.-J. De Smet België om de Amerikaanse Jezuïeten te vervoegen. Trad toe tot de orde in 1827 en werkte eerst onder de Potawatomi-Indianen (Algonkin-volk, nabij Lake Michigan).
Toen de Jezuïeten van de Amerikaanse overheid in 1833 de evangelisatie toevertrouwd kregen van de trans-Mississippistammen, verplaatste pater De Smet enkele jaren later zijn werkterrein. Gevolggevend aan een verzoek van de Salish/Flatheads (Interior Salish in West-Montana) en na een verkenning in 1840, stichtte hij (met de hulp van andere paters) verschillende missies tussen de Rocky Mountains en de Pacific (periode 1841- 1846). De twee basismissies, en misschien wel de bekendste, waren Saint Mary (bij de Salish) en Sacred Heart (bij de Schitsu'umsh/Coeur d'Alène).
Hij verrichtte geen systematisch missiewerk maar bezocht tientallen stammen en groepen en heeft duizenden Indianen gedoopt.
Zo bezocht de 'Grote Zwartrok' zoals hij bij de Indianen bekend stond in 1838 de Oto (Sioux-volk van de Chiwere-tak aan de Platte River, Nebraska) en de Omaha (Sioux-volk van de Dhegiha-tak aan de Missouri, Noordoost- Nebraska), in 1839 de Yankton (Sioux-volk van de Nakota aan de Vermillion River, Zuid-Dakota), tussen 1840- 1850 herhaaldelijk verschillende Dakota-stammen, in 1848 de Ponca (Sioux-volk van de Dhegiha-tak aan de Niobara River, Nebraska). Bezocht ondermeer in 1864 en 1868 het kamp van Sitting Bull, maar wist deze Hunkpapa-Teton niet te overhalen mee te gaan naar de vredesbesprekingen van Fort Rice.
Nicolas Point, een andere Jezuïet en reeds zijn reisgezel in 1840- 1841, heeft een indrukwekkend aantal schilderijen, tekeningen en schetsen nagelaten uit deze periode.
In het plaatsje Daniel celebreerde onze pater op 5 juli 1840, aan een geïmproviseerd altaar, op een hoogte boven een mooi meanderend riviertje, de eerste katholieke mis in Wyoming. Boven het altaar is sedertdien een kapelletje opgetrokken.
De populariteit van pater De Smet was zo groot dat het V.S.-gouvernement hem officieel uitnodigde deel te nemen aan verschillende vredesonderhandelingen tussen 1851 (Fort Laramie) en 1868 (Fort Rice). Markant vredestichter, zowel tussen wit en rood als tussen de stammen onderling, werd zijn impact en aantrekkingskracht in de 19e eeuw niet overtroffen. In zijn vele geschriften en brieven (in meerdere talen) en tijdens zijn talrijke reizen naar Europa schetste hij een objectief beeld van 'zijn' Indianen. Of zoals hij zelf schreef: "Als de arme en ongelukkige bewoners van de Indiaanse gebieden met meer billijkheid zouden worden behandeld, zouden ze weinig last geven…Zij worden wilden genoemd, maar we mogen stellen dat in onze grote steden en elders duizenden blanken deze aanduiding meer verdienen."
Pieter-Jan De Smet overleed in St.Louis op 23 mei 1873.
Verschillende steden in Montana en Zuid-Dakota en ook een meer in Wyoming zijn naar hem genoemd.

In Dendermonde (zijn geboortestad) op het O.-L.-Vrouweplein staat zijn standbeeld naar een ontwerp van K.A. Fraikin.

Meer info over Pater De Smet: 
zie deze website

Wij keren nu terug naar Antwerpen-stad, en wel naar vier verschillende lokaties. De bekende beeldhouwer Wilfried Pas heeft namelijk voor het 75-jarig bestaan van de maatschappij voor sociale woningbouw 'S.M. Huisvesting' vier identieke beelden laten gieten in de wijken waar de maatschappij woningcomplexen liet optrekken. De beelden (foto 10) stellen een rechtopstaande bejaarde Indiaan voor met ontbloot bovenlichaam. In de rechterarm een waaier van arendveren, met afhangende veren op de rug en het onderlichaam gehuld in een dierenhuid.
Antwerpen, Wilfried Pas, Aarde De beelden zijn te bewonderen aan de Hendriklei (grens Kiel- district Hoboken), op Linkeroever (E.Verhaerenlaan, hoek Gloriantlaan), op Luchtbal (parkje tussen Canada- en Noorderlaan) en tussen de huizenblokken vooraan in de Prekerstraat (St.-Andrieskwartier, nabij Kloosterstraat).
Dit laatste beeld (foto 10) werd ingehuldigd op 8/11/1996, is zoals de anderen van brons en heeft een hoogte van 1,90m. De beelden zijn gesigneerd en gedateerd en dragen op de sokkel, in lopend schrift, de titel 'Aarde'.

Wilfried Pas werd te Londerzeel geboren in 1940, hij studeerde te Brussel (Sint-Lukasinstituut) en te Antwerpen (Akademie en Hoger Instituut voor Beeldende Kunsten). Werd leraar tekenen aan middelbare scholen en hoogleraar aan de Kon. Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen.
Behoort tot de groep kunstenaars die onderkomen gevonden hebben in de galerij 'De Zwarte Panter' (Antwerpen) waar hij grote invloed heeft uitgeoefend.
In het Antwerpse straatbeeld vertonen de werken van W. Pas een opvallende aanwezigheid, denk maar aan de beelden van Paul van Ostayen (Minderbroedersrui), Willem Elsschot (Mechelseplein) en koning Boudewijn (Linkeroever). Verder kunnen we vernoemen de beelden van A. van Wilderode (St.-Niklaas) en L. de Vocht ('s Gravenwezel). De kunstenaar werkt op het ogenblik aan een beeld van Gerard Walschap.

In een nota verklaarde de kunstenaar over 'Aarde': "De figuur die dit beeld voorstelt is niet de Indiaan uit de populaire western film, is niet de held uit onze jeugdverhalen van Karl May. Het gaat over de Indiaan die, zoals blijkt uit de verslagen van het Russell tribunaal te A'dam in 1980, door genocide, racisme, discriminatie, grondroof en uitbuiting, tot de rand van de definitieve vernietiging werd gebracht… Dit bronzen beeld is een mogelijke ontmoetingsplaats voor europese zelfkritiek en Indiaans zelfbewustzijn".

indiaan Black Eagle De beelden van W.Pas zijn duidelijk geïnspireerd door een foto van Black Eagle, foto genomen door de bekende fotograaf Edward Curtis tussen 1905 en 1908. 

Black Eagle was een Assiniboin chief die bij de eerste ontmoeting niet te overhalen was om met de fotograaf te spreken. Toen Black Eagle echter vernam dat Curtis een boek wilde publiceren, bleek hij na overleg met andere 'dapperen' uiteindelijk wel bereid om over zijn exploten te vertellen. Helaas heb ik over die verhalen niets teruggevonden. Wie helpt mij op hun spoor ?

De Assiniboin waren een belangrijke en typische stam van de Vlakte (Plains)- Indianen. Ze leefden in een uitgestrekt gebied in Montana (V.S.) en in het zuiden van Alberta en Saskatchewan (Canada). Pas na 1640 migreerden zij van Lake of the Woods (Zuidwest- Ontario) naar Saskatchewan en dan verder naar noordelijk Wyoming en Montana, en evolueerden tot een Vlaktestam bij uitstek. Een deel van hen bleef achter in Canada en raakten bekend als de Stoney-Indianen. 
In de 18e eeuw werd hun aantal geschat op meer dan 10.000. Ziekten (pokken, mazelen, kinkhoest) en het verdwijnen met de bizon van hun traditionele cultuur reduceerde hen tot een 3.000 in het begin van de 20ste eeuw. Hun aantal wordt nu geschat op 6.300 in Montana (in Fort Belknap en Fort Peck reservaten) en een 1.900 in verschillende kleine reservaten van Zuid-Saskatchewan (o.a. Carry The Kettle, Grizzly Bear's Head, Lean Man, Mosquito en White Bear). 
Noemen zichzelf Nakhóta (Nakota). De benaming Assiniboin komt mogelijk uit het Chippewa voor 'Zij die met stenen koken' en dit zou slaan op de manier waarop zij hun voedsel gaar kregen. Waarschijnlijker betekent hun naam 'Stenen vijand' of 'Stenen Sioux'. In het begin van de 17e eeuw (vóór 1640 zoals blijkt uit verslagen der Jezuïeten) zouden de Assiniboin afgesplitst zijn van de Yanktonai-Sioux [Nakota]. Ze sloten een bondgenootschap met de Cree (een Algonkin-volk) en werden de uitgesproken vijanden van de Dakota en de Siksika (Blackfoot). De theorie van de afsplitsing wordt nu echter als taaie volkstraditie van de hand gewezen. Ze berust noch op linguïstische noch op historische gronden.

Antwerpen indiaanse beeldjesWe naderen stilaan het einde van onze (imaginaire) wandeling en trekken langs de winkelbuurt van de Hoogstraat en de Kloosterstraat richting Suikerrui. In elk bric-à-brac-winkeltje daar dat zichzelf respecteert valt wel een Indiaantje te versieren - figuurlijk natuurlijk. Kitsch, gaande van totempaaltjes over stoere jagers tot lieftallige squaw's, die zijn weg vindt naar de verzameling van één of andere maffe zonderling (foto 12). Ook hier zijn het bijna steeds zwaar bepluimde Prairie-of Plains-Indianen die de bovenhand halen


Wat verder, in de buurt van de kathedraal, kunnen we de melodieuze tonen van panfluiten, quena's, charango's en trommen horen. Eindelijk lopen we authentieke Indianen tegen het lijf. Het zijn meestal Antwerpen indianen Otavaleños uit Ecuador die wat geld trachten te verdienen. Helaas maken ook zij soms gebruik van versterkers en verkopen de vrouwen stoffen, truien, hoeden en wat al meer in afschuwelijke, schreeuwerige, kleuren.

Het woongebied van deze Otavalo-Indianen, het betreft hier geen stam maar een etnische groep, ligt in de gelijknamige vruchtbare vallei in het noordelijk Andesgebied van Ecuador, provincie Imbabura. Het gebied wordt gedomineerd door twee vulkanen Taita (Quechua voor vader) Imbabura in het oosten en Mama (Quechua voor moeder) Cotacachi in het westen. Die twee vormen een paar en hun kind heet Urcu (Quechua voor berg) Mojanda, een kleinere berg die de vallei in het zuiden afsluit. In de vallei is het stadje Otavalo het markt- en commercieel centrum voor zo'n 75 kleine Indiaanse nederzettingen uit de omgeving. Tot de voornaamste dorpen behoren Peguche, San José de la Bolsa, Selva Alegre, Cotama, Agato, Lluman. In 1995 schatte men het totaal aantal Otavalo-Indianen op een 60.000, inclusief de ongeveer 10.000 die buiten de vallei leefden. En buiten de vallei betekent nu 'zowat in de hele westerse wereld'.
In de pre-Incatijd vormde dit deel van Noord-Ecuador het gebied van de Cara- cultuur. Tot hun nederzettingen of afzonderlijke groepen (de samenstelling van de Cara is niet zo heel duidelijk) behoorden o.a. Otavalo, Cochasqui, Quilca, Caranqui, Cayambe. 
De Cara-taal is verloren gegaan, mogelijk behoorde zij, voortgaande op plaats- en familienamen, tot de Barbacoa-groep van het Chibcha en was zeer gelijkend op het huidige Pasto (Noord-Ecuador/Zuidwest Colombia) en Cayapa (noordwestelijk laagland van Ecuador; niet te verwarren met de Braziliaanse Cayapo).
Volgens de ene legende kwamen de Cara van overzee in hun nieuwe vaderland aan. Waarschijnlijker is echter dat zij uit het oostelijk tropisch oerwoudgebied afkomstig zijn, want volgens een andere legende brachten zij het jaguarsymbool mee en wil het verhaal dat hun volk ontstond uit het huwelijk tussen een vrouw en een jaguar. De cultus van de jaguar had (heeft?) zijn afspiegeling in bepaalde textielpatronen.
Zeker is dat in de pre-Incatijd, op last van hun leiders, verschillende dorpen/groepen zich verbonden tot coöperatieve eenheden. Zij handelden als één bij speciale gelegenheden en uit zelfverdediging. Zo werden alle onderlinge vijandige gezindheden bijgelegd toen de Inca-legers binnenvielen (2e helft 15e eeuw). Zeventien jaar werd succesvol standgehouden tegen deze Inca-penetratie, tot de Cara uiteindelijk verslagen werden door Huayna Capac. Het verzet maar ook de represailles waren hevig. Volgens de legende werden duizenden Caranqui gedood en in de Yaguar cocha, het bloedmeer, geworpen.
Onderworpen aan de Inca zullen de verschillende Cara-groepen, zoals gebruikelijk in het Inca-rijk, het Quechua als taal aannemen. 
In de 16e eeuw werd het Otavalo-gebied door de Spanjaarden veroverd. Dit betekende voor de Indianen het begin van cultuurafbraak en slavernij. Ze verloren hun gemeenschapsgronden en werden verplicht als 'yanaperos' onbetaalde arbeid te verrichten. Ze moesten ondermeer werken in textielateliers om de kleding van de mijnwerkers uit Bolivië en Peru te vervaardigen. Het verzet van de Indianen was soms hevig, tijdens de voorbije eeuwen werden niet minder dan twaalf opstanden opgetekend, die allen bloedig onderdrukt werden.
Door de jaren hebben ze toch veel van hun eigen cultuur en tradities weten te bewaren. Gemengde huwelijken bleven bijvoorbeeld een zeldzaamheid, hun traditionele kledij en het Quechua gingen niet verloren. De meesten van hen zijn nu tweetalig Spaans- Quechua, en de uitgezworven Otavalo spreken een aardig mondje Engels, Frans, Duits, Italiaans, Vlaams…
Landbouwhervorming uit de jaren zestig van de vorige eeuw, hoewel niet perfect, heeft velen onder hen uit een verkapt slavendom bevrijd. Ze moesten ook niet langer weven voor de hacienda-eigenaar om, in ruil, het recht te bekomen een klein stuk grond te bewerken. De Otavalo waren nu vrij te weven voor eigen verkoop op de markt. Ook werd het terugkopen van grond mogelijk gemaakt.
Met de opkomst van het toerisme ontwikkelden de Otavaleños hun zin voor commercie meer en meer. Honderddertig tot honderdveertig winkeltjes worden in Otavalo-stad door de Indianen beheerd en honderden anderen verkopen hun produkten op de, inmiddels beroemd geworden, zaterdagmarkt. De keerzijde van de medaille is, dat er nu grote verschillen qua ontwikkeling en rijkdom zijn ontstaan. Ook noopt het tekort aan werkgelegenheid en landbouwgrond nog steeds tot emigratie, vandaar dat velen met hun muziek en met artisanaat de wereld intrekken. Door het succes van het prachtig textiel is ook hier, zoals reeds gezegd, soms kwalitatieve vervlakking te merken.

Laatste halte Suikerrui 19, het Etnografisch Museum Antwerpen. Hier kan men zich onderdompelen in de rijkdom van de Niet-Europese culturen. De, enkele jaren geleden, nieuw ingerichte Amerika-afdeling (1e verdieping) is de 'place to be' voor elke Amerikanist. Maar dit is voor leden van onze vereniging een open deur intrappen. Uit deze rijke collectie belichten we slechts één item namelijk het fragment van een Antwerpen Etnografisch museum Maya reliëfstèle Maya-reliëfstèle (AE.3870) denkelijk uit het kustgebied van de Stille Oceaan (foto 14). Zo komt Meso-Amerika in de wandeling ook aan bod. We maken hier dankbaar gebruik van de uitgebreide handleiding bij de Amerika-afdeling, teksten die samengesteld werden door Mireille Holsbeke.

De stad Antwerpen verwierf deze stèle, een gift van Eugène de Decker, in 1864 en is daarmee één van de oudste voorwerpen in de collectie. Het betreffende object is een kleine plaat met inscripties uit grijze steen, 90,50cm hoog en 45,50cm breed. Er is een Indiaan op afgebeeld met de rechterarm in de hoogte en met het gelaat naar links gekeerd. Hij draagt een ballonvormige hoofdtooi met een aantal attributen van de jaguar, spoelvormige oorsieraden, een halssnoer en een brede heupgordel. Waarschijnlijk gaat het om de voorstelling van een vorst die tijdens een extatische dans een goddelijk personage belichaamt. Links staan vier cartouches met hiëroglifische configuraties. Omdat de stèle onderaan afgebroken is, waardoor er vermoedelijk twee cartouches ontbreken, is het opschrift moeilijk te ontcijferen. De tekst verwijst in elk geval naar de inwijding van de stèle en naar de naam van het personage of de god die hij belichaamt. Zowel de gliefen als de stijl van de voorstelling, waarin nog duidelijk Olmeekse invloeden te bespeuren zijn, laten de onderzoekers toe het voorwerp in de pre-klassieke tijd (ca 0- 200 o.t.) te situeren. In de catalogus van de tentoonstelling 'De Azteken' (Brussel 1988) wordt de stèle nog beschreven als van Zapoteekse origine. Erik Boot heeft echter duidelijk aangetoond, steunend op iconografische- en gliefenvergelijkingen, dat het hier een Maya-stèle betreft. Bijgevolg hebben we hier te maken men één van de oudste voorbeelden van Maya-kunst en -schrift.

Hiermee eindigt onze wandeling en hebben we in het Tafeltje Rond een 'bolleke' verdiend en heimelijk hopen we dat alerte leden van ons instituut nog andere 'gevederde' stadsgenoten weten te vinden.

aztline.jpg (5160 bytes)

Terug naar BIJDRAGEN 
Terug naar TIJDSCHRIFT
aztline.jpg (5160 bytes)
naar startpagina

Deze pagina is een onderdeel van een site met frames. 
Als de navigatieknoppen links ontbreken, kun je via de ikoon naar de startpagina met de taalkeuze.