MINISTERIE VAN JUSTITIE

13 JUNI 1999. - Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad



ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 107, tweede lid van de Grondwet;
Gelet op het advies van het Vast Wervingssecretariaat;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 16 maart 1999;
Gelet op het gezamelijk akkoord van Onze Minister van Begroting en Onze Minister van Ambtenarenzaken van 23 april 1999;
Gelet op het akkoord van de Ministerraad van 21 mei 1999;
Gelet op het protocol nr. 195 van 3 mei 1999 van Sectorcomité III-Justitie;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat de justitiehuizen afdelingen zijn van een nieuwe dienst van het ministerie van Justitie die opgericht wordt om de parajustitiële dienstverlening te verbeteren;
Overwegende dat het personeel waarmee de justitiehuizen worden opgestart grotendeels afkomstig is van verschillende structuren (probatiecommissies, parketten en strafinrichtingen); dat deze personeelsleden bovendien verschillende statuten en loopbanen hebben en nu samengebracht worden in een nieuwe structuur waarbij ze een nieuwe loopbaan krijgen;
Overwegende dat door het uitblijven van die veranderingen bij het personeel dat wordt overgeplaatst naar de justitiehuizen een gevoel van onzekerheid leeft dat zo snel mogelijk moet worden weggenomen door de basisstructuur van de nieuwe dienst, de taken van het personeel en de nieuwe administratieve en geldelijke bepalingen inzake hun loopbaan, met inbegrip van de leidinggevende en coördinerende functies, op te starten en het betrokken personeel over te plaatsen;
Overwegende dat het bijgevolg, ten einde de continuïteit van de overheidsdienst te verzekeren en de parajustitiële dienstverlening doeltreffender en efficiënter te maken, dringend noodzakelijk is de inwerkingtreding van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de structuur en het personeel van de justitiehuizen zonder uitstel te laten plaatsvinden;
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :


HOOFDSTUK I. - Bijzondere graden
Afdeling 1. - Oprichting
Artikel 1. Bij de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie worden de volgende graden opgericht :
- in rang 13 : regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen);
- in rang 26 : justitieassistent;
- in rang 28 : eerstaanwezend justitieassistent;
- in rang 30 : onthaalbeambte.
Art. 2. De graad van justitieassistent wordt uitsluitend verleend aan de geslaagden voor een vergelijkend wervingsexamen.
Onverminderd de overige gestelde voorwaarden, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, mogen alleen aan het in het eerste lid bedoeld vergelijkend wervingsexamen deelnemen de houders van één van de hierna genoemde diploma's :
- maatschappelijk assistent;
- maatschappelijk adviseur;
- assistent in de psychologie;
- sociaal verpleegkundige;
- licentiaat in de psychologie of in de psychologische wetenschappen;
- licentiaat in de pedagogische wetenschappen of in de sociale en culturele agogiek of in de opvoedingswetenschappen of in de pedagogie;
- licentiaat in de criminologie of in de criminologische wetenschappen;
- licentiaat in de sociologie of in de sociologische wetenschappen.
Art. 3. De graad van onthaalbeambte wordt verleend aan de geslaagden voor een vergelijkend wervingsexamen.
Afdeling 2. - Bevordering door verhoging in graad
Art. 4. De adjunct-adviseur (rang 10) en de directeur (rang 10) die ten minste negen jaar graadanciënniteit hebben kunnen bevorderd worden tot de graad van regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen - rang 13).
Art. 5. Alléén de Rijksambtenaren die bekleed zijn met de graad van justitieassistent kunnen worden bevorderd tot de graad van eerstaanwezend justitieassistent.
Art. 6. De in de artikelen 4 en 5 bedoelde bevorderingen worden toegekend volgens de regels van de bevordering door verhoging in graad.
Afdeling 3. - Weddeschalen
Art. 7. 1. Aan de graad van regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen) wordt de weddeschaal 13A verbonden.
2. De regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen) die ten minste 3 jaar graadanciënniteit heeft kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 13B bekomen.
Art. 8. 1. Aan de graad van justitieassistent wordt de weddeschaal 26F verbonden.
2. De justitieassistent die negen jaar graadanciënniteit heeft bekomt de weddeschaal 26I.
Art. 9. 1. Aan de graad van eerstaanwezend justitieassistent wordt de weddeschaal 28E verbonden.
2. De eerstaanwezend justitieassistent die ten minste 6 jaar graadanciënniteit heeft kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 28F bekomen.
Art. 10. 1. Aan de graad van onthaalbeambte wordt de weddeschaal 30A verbonden.
2. De onthaalbeambte die vier jaar graadanciënniteit heeft, geniet de weddeschaal 30C.
3. De onthaalbeambte die ten minste zes jaar graadanciënniteit heeft, kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 30F bekomen.
4. De onthaalbeambte die ten minste negen jaar graadanciënniteit heeft, kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 30H bekomen.
5. De onthaalbeambte die ten minste twaalf jaar graadanciënniteit heeft, kan, voor zover er vacante betrekkingen zijn, de weddeschaal 30I bekomen.


HOOFDSTUK II. - Aanwijzingen
Afdeling 1. - Functies
Art. 11. De personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen die de functie van directeur van een justitiehuis of van coördinator bij een justitiehuis vervullen, worden door de minister van Justitie aangewezen voor een termijn van vijf jaar.
Deze termijn kan door de minister van Justitie worden hernieuwd of ingekort.
Art. 12. Om als directeur van een justitiehuis te kunnen worden aangewezen, moet de gegadigde aan de volgende voorwaarden voldoen :
1 adjunct-adviseur zijn bij de Dienst Justitiehuizen en een graadanciënniteit van ten minste drie jaar hebben;
2 voor het uitoefenen van de functie geschikt zijn bevonden door de evaluatiecommissie.
Art. 13. Om als coördinator bij een justitiehuis te kunnen worden aangewezen, moet de gegadigde aan de volgende voorwaarden voldoen :
1 justitieassistent zijn en een graadanciënniteit van ten minste drie jaar hebben;
2 voor het uitoefenen van de functie geschikt zijn bevonden door de evaluatiecommissie, hetgeen een onafhankelijke houding impliceert ten aanzien van alle betrokken diensten.
Art. 14. De samenstelling en de werking van de evaluatiecommissie evenals de functieprofielen voor de evaluatie van de geschiktheid voor de uitoefening van de functies, bedoeld in de artikelen 12 en 13, worden vastgesteld door de minister van Justitie.
Afdeling 2. - Functietoelagen
Art. 15. De directeur van een justitiehuis heeft recht op een jaarlijkse functietoelage van 120 000 F.
Art. 16. De coördinator bij een justitiehuis heeft recht op een jaarlijkse functietoelage van 80 000 F. Deze functietoelage is niet cumuleerbaar met de jaarlijkse toelage bedoeld in artikel 18.
Art. 17. Bij onvolledige prestaties worden de jaarlijkse functietoelagen bedoeld in de artikelen 15 en 16 naar rata van de geleverde dienstprestaties uitbetaald.
De jaarlijkse functietoelagen worden tegelijk met de wedde vereffend.
Voor de jaarlijkse functietoelagen geldt de mobiliteitsregeling die van toepassing is op de wedden van het personeel van de ministeries.
Deze functietoelagen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.


HOOFDSTUK III. - Jaarlijkse toelage
Art. 18. Aan de personeelsleden van de niveaus 2+, 2 en 3 van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die tijdens de uitoefening van hun functie regelmatig in contact komen met risicopersonen, wordt een jaarlijkse toelage van 40.000 F toegekend.
Art. 19. Bij onvolledige prestaties wordt de jaarlijkse toelage naar rata van de geleverde dienstprestaties uitbetaald.
De jaarlijkse toelage wordt tegelijk met de wedde vereffend.
Voor de jaarlijkse toelage geldt de mobiliteitsregeling die van toepassing is op de wedden van het personeel van de ministeries.
De jaarlijkse toelage wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.


HOOFDSTUK IV. - Telefoonvergoeding
Art. 20. De personeelsleden die de functie van justitieassistent uitoefenen hebben recht op een maandelijkse vergoeding die vastgesteld is op 538 F voor het telefoonabonnement en 434 F voor de gesprekken.
Art. 21. De vergoeding bedoeld in artikel 20 wordt toegekend vanaf de maand die volgt op het plaatsen van een telefoontoestel in de woning van het personeelslid. De kosten van het abonnement en van de gesprekken komen te zijnen laste.


HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepaling
Art. 22. In de tabel gevoegd bij het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren in de rijksbesturen kunnen titularis zijn, worden de volgende graden ingevoegd onder het opschrift I. Alfabetische rangschikking van de Nederlandse benamingen, Afdeling A, Administratief personeel en onder het opschrift II. Alfabetische rangschikking van de Franse benamingen, Afdeling A, Administratief personeel :
- in rang 13 :
regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen);
- in rang 26 :
justitieassistent;
- in rang 28 :
eerstaanwezend justitieassistent;
- in rang 30 :
onthaalbeambte.


HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen
Art. 23. 1. De personeelsleden in dienst bij de buitendiensten van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit bekleed zijn met één van de graden die hieronder in de linkerkolom worden vermeld, worden ambtshalve benoemd tot de graad die naast hun graad in de rechterkolom staat en daarmee overeenstemt :

maatschappelijk assistent

justitieassistent

eerstaanwezend maatschappelijk assistent

eerstaanwezend justitieassistent

sociaal arbeidsinspecteur

adjunct-adviseur

sociaal arbeidsinspecteur-directeur

regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen)


2. De personeelsleden die krachtens 1 benoemd zijn, behouden in hun nieuwe graad de anciënniteit welke verkregen was in de graad waarmee ze vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit waren bekleed.
3. De geldelijke anciënniteit die deze personeelsleden hebben verkregen, wordt geacht verkregen te zijn in de weddeschaal die overeenstemt met hun graad en die zij genieten vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 24. De wedde van de ambtenaren die krachtens artikel 23, 1, ambtshalve benoemd worden in een andere graad, wordt vastgesteld in de weddeschaal die overeenkomstig de bijlage overeenstemt met deze graad.
Art. 25. De geslaagden voor een vergelijkend wervingsexamen voor de graad van sociaal arbeidsinspecteur of adjunct-adviseur (oriëntatie : psychosociaal) voor het Ministerie van Justitie, voor de vergelijkende wervingsexamens (ANG96803 en AFG96803) voor de graad van adjunct-adviseur bij de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid of voor de vergelijkende wervingsexamens (AN95814A en AF95814A) voor de geschrapte graad van directeur derde klasse bij het Ministerie van Justitie, behouden tijdens de geldigheidsduur van het vergelijkend examen hun aanspraken op benoeming tot de graad van adjunct-adviseur bij de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen.
De geslaagden voor een vergelijkend wervingsexamen voor de graad van maatschappelijk assistent voor het Ministerie van Justitie behouden tijdens de geldigheidsduur van het vergelijkend examen hun aanspraken op benoeming tot de graad van justitieassistent bij de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen.
Art. 26. De geslaagden voor een vergelijkend examen voor de overgang naar het hogere niveau in de graad van sociaal arbeidsinspecteur bij het Ministerie van Justitie behouden onbeperkt hun aanspraken op benoeming tot de graad van adjunct-adviseur bij de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen.


HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen
Art. 27. 1. De procedures inzake aanwerving en oppensioenstelling die aan de gang zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden verder gezet volgens de bepalingen van dit besluit.
2. De procedures inzake bevordering en verandering van graad die aan de gang zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden verder geregeld door de bepalingen zoals opgesteld vóór de wijziging ervan door dit besluit.
Indien, na de procedures bedoeld in het eerste lid, ambtenaren benoemd worden, worden ze daarna ambtshalve in de ermee overeenstemmende nieuwe graad benoemd.
Art. 28. Voor de toepassing van de artikelen 12, 1, en 13, 1, wordt de duur van de ervaring opgedaan in een sociale dienst van onder meer het ministerie van Justitie of van de parketten en in de probatiecommissies meegerekend voor het bepalen van de graadanciënniteit.
Art. 29. Aan de personeelsleden in dienst bij de buitendiensten van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie wordt een jaarlijkse toelage van 9 405 F toegekend die uitbetaald wordt overeenkomstig de regeling die voorzien is in het koninklijk besluit van 26 september 1995 tot toekenning van een toelage aan sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Bestuur Strafinrichtingen.
De in vast verband benoemde ambtenaren en de statutaire stagiairs in dienst bij de buitendiensten van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie genieten een productiviteitstoelage waarvan de uitbetaling geschiedt overeenkomstig het koninklijk besluit van 26 september 1995 tot toekenning van een penitentiaire productiviteitstoelage aan sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Bestuur Strafinrichtingen.
Art. 30. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 29 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1999 en ophoudt van kracht te zijn op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 28 houdt op uitwerking te hebben op 1 januari 2005.
Art. 31. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.


Gegeven te Brussel, 13 juni 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY

Bijlage
Conversietabel van de graden en de eraan verbonden weddeschalen

Graad waarmee de ambtenaar bekleed was

Weddeschaal verbonden aan deze graad

Graad waarmee de ambtenaar bekleed wordt

Weddeschaal verbonden aan deze graad

Maatschappelijk assistent

26F

Justitieassistent

26F

Maatschappelijk assistent

26I

Justitieassistent

26I

Eerstaanwezend maatschappelijk assistent

28E

Eerstaanwezend justitieassistent

28E

Eerstaanwezend maatschappelijk assistent

28F

Eerstaanwezend justitieassistent

28F

Sociaal Arbeidsinspecteur

10A

Adjunct-Adviseur

10A

Sociaal Arbeidsinspecteur

10B

Adjunct-Adviseur

10B

Sociaal Arbeidsinspecteur

10C

Adjunct-Adviseur

10C

Sociaal Arbeidsinspecteur-Directeur

13A

Regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen)

13A

Sociaal Arbeidsinspecteur-Directeur

13B

Regionaal directeur (Dienst Justitiehuizen)

13B

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 13 juni 1999.


ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY



Publicatie : 1999-06-29