MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN, VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU

15 JULI 1997. Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd



ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, inzonderheid op artikel 68;
Gelet op het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 15 april 1965, 19 november 1965, 16 september 1966, 12 januari 1970, 16 februari 1971, 15 februari 1974, 13 juni 1974, 1 juli 1976, 29 maart 1977, 1 december 1977, 19 oktober 1978, 18 juli 1980, 12 april 1984, 25 juni 1985, 7 juli 1986, 7 november 1988, 17 oktober 1991, 12 oktober 1993, 20 april 1994, 13 november 1995 en 20 augustus 1996;
Gelet op de vraag van de Minister van Sociale Zaken aan de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen van 12 januari 1995, om een advies over een ontwerp van koninklijk besluit;
Gelet op het algemeen advies van de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, afdeling programmatie en erkenning, van 26 oktober 1995;
Overwegende dat de Nationale Raad op heden nog geen advies gegeven heeft over het hem voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat de rechtszekerheid gebiedt zeer snel de kwaliteitsvoorwaarden waaraan de palliatieve zorgeenheid moet beantwoorden te omschrijven, teneinde de ziekenhuizen die momenteel reeds over een dergelijke eenheid beschikken zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van het juridisch kader waarbinnen ze de eenheid moeten organiseren en teneinde zo snel mogelijk in een aangepaste financiering te kunnen voorzien;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 24 juni 1997, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen en van Onze Minister van Sociale Zaken,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. In rubriek I ("Architectonische normen"), 1, a, van de bijzondere normen toepasselijk op de gespecialiseerde dienst voor behandeling en revalidatie, kenletter Sp, gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 12 oktober 1993 en 20 april 1994 worden de woorden "en behoudens wanneer het een Sp- dienst (palliatieve zorgen) betreft tot stand genomen door de omschakeling van C-, D- of H-bedden" geschrapt.
Art. 2. In rubriek IIIbis ("Specifieke normen voor het specialisme "psycho-geriatrische aandoeningen") van dezelfde bijlage, ingevoegd bij het koninilijk besluit van 13 november 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1 het opschrift van de rubriek wordt vervangen door de volgende bepaling :
Specifieke normen per specialisme";
2 de huidige bepalingen van de punten 1 tot 9 vormen een onderdeel A, onder het volgende opschrift :
A. Specifieke Normen voor de Sp-dienst (psychogeriatrische aandoeningen)n;
3 de rubriek wordt aangevuld met een onderdeel B. luidend als volgt :
B. Specifieke normen voor de Sp-dienst (palliatieve verzorging).
1. De Sp-dienst (palliatieve zorg) is bestemd voor patiënten met een ongeneeslijke ziekte in een terminale fase die palliatieve zorg behoeven.
Bedoelde dienst legt zich specifiek toe op activiteiten als symptoomcontrole, psychologische begeleiding, rouwvoorbereiding en -begeleiding.
2. De bedden van bedoelde dienst zijn verspreid over meerdere hospitalisatiediensten van het ziekenhuis of vormen, een architectonisch zelfstandige en herkenbare entiteit;
In afwijking van rubriek I ("Architectonische normen"), 1, a, kan de dienst zich buiten de vestigingsplaats van een acuut ziekenhuis bevinden wanneer de dienst tot standgekomen is door reconversie van C-, D-, H-, of G-bedden.
3. In afwijking van rubriek I ("Architectonische normen"), 1, c, beschikt de Sp-dienst (palliatieve verzorging) over minimum 6 en maximum 12 bedden.
Er dient voldoende oppervlatte per bed voorzien te zijn. De kamers dienen ruim en huiselijk te zijn, te beschikken over eigen sanitair, aangepast meubilair met o.a. een hoog-laag bed.
Minstens de helft van de kamers zijn éénpersoonskamers, de overige kamers mogen tweepersoonskamers zijn.
4. De dienst dient over voldoende badinstallaties te beschikken die toelaten dat de patiënt er in liggende positie ingebracht wordt.
5.1. De dienst dient te beschikken over de volgende gemeenschappelijke ruimtes :
een living met huiselijk karakter;
een keuken, waar ook de famille toegang heeft;
een bureel voor de verpleegkundige équipe.
5.2. In de dienst moet het mogelijk zijn om zich te bezinnen, pluridisciplinaire vergaderingen te beleggen en de familieleden op te vangen.
Bovendien moet voor de familieleden de mogelijkheid bestaan op de dienst te overnachten.
6. Elke kamer beschikt over telefoon, radio- en TV-aansluiting en een oproepsysteem.
7. De dienst beschikt over de ncodzakelijke technische middelen voor pijnbestrijding.
8. Er moeten wekelijks interdisciplinaire teamvergaderingen gehouden worden.
9. Uit het in punt II, 2, bedoelde dossier dient de pluridisciplinaire benadering te blijken.
10. Bezoek door familieleden en naastbestaanden is mogelijk 24 uur op 24 uur.
11. De dienst maakt deel uit van het samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg dat het desbetreffend geografisch gebied bestrijkt.
12. De permanente opleiding van de teamleden omvat minimum twee dagen per jaar.
13. De activiteiten moeten regelmatig geëvalueerd worden via registratie van verstrekte medische, medisch-technische en verpleegkundige handelingen.
Uit bedoelde registratie moet blijken dat het aantal technische handelingen doelgericht en beperkt zijn en dat de patiënt gedurende een beperkte periode in de dienst verbleef.
De registratie vermeldt de bestemming van de patiënt na zijn ontslag uit de dienst.
De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heett kan, met betrekking tot deze registratie, nadere regels vaststellen.
14. De medische leiding van de dienst berust bij een geneesheer- specialist met bijzondere ervaring in de palliatieve verzorging.
De dienst moet steeds een beroep kunnen doen op geneesheren- specialist in de oncologie, de anesthesiologie en de geriatrie. Deze artsen dienen een bijzondere ervaring in de palliatieve verzorging te hebben.
15. Met inbegrip van de hoofdverpleegkundige dient de dienst, per erkend bed, over 1,25 verpleegkundigen te beschikken, bijgestaan door voldoende verzorgend personeel.
Dit verpleegkundig kader bestaat voor minstens 2/3 uit gegradueerde verpleegkundigen.
Minstens 66 % van de gegradueerde verpleegkandigen is houder van de bijzondere beroepsbekwaming van verpleger of verpleegster in de palliatieve zorg.
16. De dienst moet beroep kunnen doen op een kinesitherapeut, maatschappelijk werker, levensbeschouwelijk begeleider en op consulenten waaronder een psycholoog en een geneesheer-specialist in de psychiatrie of de neuro-psychiatrie.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekend gemaakt.
Artikel 2, 2, in zoverre het betrekking heeft op rubriek IIIbis, onderdeel B, punten 3, tweede en derde lid, 4, 5 en 6, treedt evenwel in werking op een door Ons nader te bepalen datum.
Art. 4. Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 15 juli 1997.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen,
M. COLLA
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. M. DE GALAN

Publicatie : 1997-07-31