MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

13 APRIL 1999. - Decreet met betrekking tot de private arbeidsbemiddeling in het Vlaamse Gewest (1)



Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :


HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
1 private arbeidsbemiddeling :
a) de activiteiten uitgeoefend door een tussenpersoon, die erop gericht zijn werknemers bij te staan bij het zoeken van een nieuwe tewerkstelling of werkgevers bij het zoeken van werknemers;
b) het in dienst nemen van werknemers, om hen ter beschikking te stellen met het oog op de uitvoering van een bij of krachtens de wet toegelaten tijdelijke arbeid;
2 voor de toepassing van dit decreet wordt onder de term "werknemer" eveneens werkzoekende of zelfstandige begrepen;
3 de minister : de Vlaamse minister die het tewerkstellingsbeleid onder zijn bevoegdheid heeft;
4 de adviescommissie : de commissie ingesteld bij artikel 16 van dit decreet;
5 het bureau : de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die, onder welke naam dan ook, activiteiten in de zin van 1 uitoefent;
6 SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
7 outplacementactiviteiten : een vorm van arbeidsbemiddeling waarbij begeleidende adviezen en diensten in opdracht en op kosten van een werkgever aan een ontslagen of met ontslag bedreigde werknemer worden verstrekt om deze in staat te stellen zo vlug mogelijk een betrekking bij een nieuwe werkgever te vinden of een beroepsactiviteit als zelfstandige te ontplooien.
Art. 3. 1. Dit decreet is niet van toepassing op de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, met uitzondering van de principes zoals bedoeld in artikel 5, 2 tot en met 19.
2. Dit decreet is niet van toepassing op de bureaus voor kosteloze arbeidsbemiddeling met uitzondering van de principes zoals bedoeld in artikel 5.


HOOFDSTUK II. - Algemene beginselen
Art. 4. De exploitatie van een bureau voor private arbeidsbemiddeling, met inbegrip van het adverteren of het reclame maken met het oog op de exploitatie van het bureau, is toegestaan onder de in dit decreet bepaalde voorwaarden.
Art. 5. Om de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2, 1, te mogen uitoefenen, moet een bureau dat als rechtspersoon zijn maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest heeft of als natuurlijke persoon er kantoor houdt, aan de volgende voorwaarden voldoen :
1 indien het bureau een rechtspersoon is, dient deze regelmatig opgericht te zijn in de vorm van een handelsvennootschap of een vereniging zonder winstgevend doel waarvan, blijkens de statuten, de activiteit bestaat uit het exploiteren van een bureau.
Indien het bureau een natuurlijke persoon is, moet deze persoon de burgerrechten en politieke rechten genieten;
2 het bureau mag niet in staat van faillissement of in staat van kennelijk onvermogen verkeren, noch het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, noch een gerechtelijk akkoord hebben aangevraagd of verkregen;
3 het bureau mag onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de vennootschap of de vereniging te verbinden of te vertegenwoordigen, geen personen hebben :
a) aan wie het uitoefenen van dergelijke functies is verboden krachtens het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod uit te spreken;
b) die tijdens de periode van vijf jaar, voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning, aansprakelijk gesteld zijn voor de verbintenissen of schulden van een gefailleerde vennootschap, bij toepassing van de artikelen 35, 6, 63ter, 123, tweede lid, 7, of 133bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen;
c) die tijdens de periode van vijf jaar, voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning, herhaaldelijk of op een ernstige wijze in overtreding zijn geweest op het gebied van de fiscale verplichtingen, de sociale verplichtingen of de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de exploitatie van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling;
d) aan wie de burgerrechten en politieke rechten zijn ontnomen;
4 het bureau dient te voldoen aan de verplichtingen die de sociale en de fiscale wetgeving opleggen;
5 het bureau mag geen activiteiten in de zin van artikel 2, 1, uitoefenen wanneer deze activiteiten leiden tot een tewerkstelling die strijdig is met de openbare orde of waarvan het bureau duidelijk kan vaststellen dat zij een inbreuk inhouden op de sociale of fiscale wetgeving;
6 het bureau mag geen activiteiten uitoefenen die verboden zijn krachtens het Verdrag nr. 9 op de arbeidsbemiddeling van de zeelieden aangenomen op 10 juli 1920 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie en goedgekeurd bij de wet van 6 september 1924;
7 het bureau dient alle betrokkenen op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze te behandelen en mag geen personeelsadvertenties opstellen of publiceren die aanleiding kunnen geven tot discriminatie.
In afwijking van het voorgaande lid zijn positieve acties ten behoeve van risico-werknemers wel toegestaan;
8 het bureau dient de persoonlijke levenssfeer van de werknemers te eerbiedigen en de gegevens die tot de persoonlijke levenssfeer behoren, enkel op te vragen en te gebruiken met toestemming en in het belang van de werknemer in het kader van zijn professionele inschakeling en met inachtneming van de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
9 het bureau mag onder geen beding enige vergoeding van de werknemer vragen of ontvangen.
De Vlaamse regering kan voor bepaalde categorieën van werknemers en voor bepaalde activiteiten, na advies van de SERV, een afwijking toestaan op de bepaling van het eerste lid op voorwaarde dat dit geschiedt in het belang van de werknemer;
10 het bureau mag niet in de plaats treden van de opdrachtgevende werkgever bij de aanwervings- of ontslagbeslissing of de onderhandelingen daaromtrent;
11 het bureau mag geen activiteiten in de zin van artikel 2, 1, uitoefenen voor zover deze activiteiten verband houden met een staking, uitsluiting of een schorsing van een arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
12 het bureau mag werknemers van vreemde nationaliteit bemiddelen voorzover de reglementering inzake de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten, zoals bedoeld in het koninklijk besluit nr. 34 van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit wordt nageleefd;
13 het bureau mag informatie over de opdrachtgevende werkgever en de werknemers enkel opvragen en gebruiken binnen het kader van de in artikel 2, 1, bedoelde activiteiten;
14 het bureau dient inzage te verlenen aan de opdrachtgever en de werknemers betreffende de over hen opgeslagen gegevens en dient hen, op hun verzoek, na beëindiging van de opdracht een afschrift van hun dossier te bezorgen;
15 het bureau dient de opdrachtgevende werkgever en de werknemers juiste, tijdige en volledige informatie te verstrekken over de in artikel 2, 1, bedoelde activiteiten en over de aard van de tewerkstelling;
16 het bureau mag geen bemiddelingsactiviteiten uitoefenen voor vacatures waartegenover geen reëel jobaanbod staat;
17 het bureau dient de gedragscode, waarvan de inhoud wordt vastgelegd door de Vlaamse regering na advies van de SERV, te onderschrijven en na te leven;
18 het bureau moet beantwoorden aan de criteria inzake kwaliteit en/of deskundigheid die door de Vlaamse regering, na advies van de SERV, vastgesteld worden in functie van de aard van de verrichte activiteiten;
19 het bureau mag in geen geval in een drankgelegenheid of in een aanhorigheid van een dergelijke aangelegenheid worden gevestigd.
Zo het bureau gevestigd is in een handelshuis moet het zonder toedoen van de handelaar of diens aangestelde toegankelijk zijn langs een afzonderlijke ingang.
Art. 6. 1. Elk bureau dient vooraf te worden erkend overeenkomstig de procedure en voorwaarden die worden bepaald door de Vlaamse regering na advies van de SERV.
De Vlaamse regering bepaalt, na advies van de SERV, de activiteiten van arbeidsbemiddeling waarvoor een afzonderlijke erkenning vereist is.
2. In afwijking van 1 bepaalt de Vlaamse regering, met het oog op een maximale bescherming van de werknemer en na advies van de SERV, welke sectoren, vormen en/of activiteiten van arbeidsbemiddeling worden vrijgesteld van de verplichting van een voorafgaande erkenning.
3. De Vlaamse regering bepaalt, met het oog op een maximale bescherming van de werknemer en na advies van de SERV, in welke sectoren en/of voor welke categorieën van werknemers het verboden wordt activiteiten uit te oefenen zoals bedoeld in artikel 2, 1.
4. De Vlaamse regering bepaalt, met het oog op een maximale bescherming van de werknemer en na advies van de SERV, in welke sectoren en/of voor welke categorieën van werknemers en/of voor welke vormen en/of activiteiten van arbeidsbemiddeling bijkomende voorwaarden worden opgelegd.


HOOFDSTUK III. - Erkenningsregeling
Afdeling 1. - Erkenning
Art. 7. 1. De Vlaamse regering bepaalt de procedure inzake de aanvraag van de erkenning voor de onder artikel 2, 1, vermelde activiteiten.
2. De erkenning wordt verleend door de minister na advies van de adviescommissie.
Wanneer het advies niet binnen de door de Vlaamse regering vast te stellen termijn wordt verleend, kan de minister een beslissing nemen. Deze beslissing dient met redenen te worden omkleed.
Wanneer de minister afwijkt van het advies, dient hij in zijn beslissing de redenen aan te geven voor die afwijking.
3. De erkenning wordt verleend voor een periode van onbepaalde duur.
4. In geval van overdracht van een verleende erkenning maakt het bureau de overdracht van de erkenning kenbaar aan de minister en aan de adviescommissie, volgens de modaliteiten die door de Vlaamse regering, na advies van de SERV, worden bepaald. De minister kan, na advies van de adviescommissie, beslissen dat een nieuwe erkenning moet aangevraagd worden.
5. Overeenkomstig de nadere regelen die de Vlaamse regering bepaalt, kan de minister, na advies van de adviescommissie, een termijn bepalen waarbinnen het bureau effectief gebruik moet maken van de erkenning.
Art. 8. 1. Op het in dienst nemen van werknemers, om hen ter beschikking te stellen met het oog op de uitvoering van een bij of krachtens hoofdstuk II van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, toegelaten tijdelijke arbeid zijn de volgende bijkomende voorwaarden van toepassing :
1 regelmatig opgericht zijn in de vorm van een handelsvennootschap;
2 een volledig volstort kapitaal van ten minste 1.250.000 frank bezitten;
3 geen achterstallige bijdragen verschuldigd zijn zoals belastingen, bijdragen te innen door de RSZ of bijdragen te innen door of voor rekening van Fondsen voor Bestaanszekerheid;
4 niet in ernstige overtreding zijn van de wettelijke of reglementaire bepalingen in verband met uitzendarbeid.
2. Een bureau dat zijn maatschappelijke zetel in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest heeft of als natuurlijke persoon er kantoor houdt en in het Vlaamse Gewest activiteiten uitoefent zoals bedoeld in artikel 2, 1, dient aan te tonen dat het in zijn gewest aan gelijkwaardige voorwaarden als vermeld in dit decreet voldoet.
Indien de minister tot de bevinding komt dat deze voorwaarden niet gelijkwaardig zijn, legt hij, na advies van de adviescommissie, een deel of het geheel van de voorwaarden op, zoals bepaald in dit decreet.
3. Een buitenlands bureau dat zijn maatschappelijke zetel binnen de Europese Unie heeft of als natuurlijke persoon er kantoor houdt en in het Vlaamse Gewest activiteiten uitoefent zoals bedoeld in artikel 2, 1, dient aan te tonen dat het in zijn land aan gelijkwaardige voorwaarden als vermeld in dit decreet voldoet.
Indien de minister tot de bevinding komt dat deze voorwaarden niet gelijkwaardig zijn, legt hij, na advies van de adviescommissie, een deel of het geheel van de voorwaarden op, zoals bepaald in dit decreet.
4. Een bureau dat zijn maatschappelijke zetel buiten de Europese Unie heeft of als natuurlijke persoon er kantoor houdt, en activiteiten zoals bedoeld in artikel 2, 1, in het Vlaamse Gewest uitoefent, dient te voldoen aan de voorwaarden vermeld in dit decreet.
Het moet daarenboven het bewijs leveren dat het in het land van herkomst activiteiten in de zin van artikel 2, 1, uitoefent.
Art. 9. Het bureau dat een erkenning aanvraagt, deelt de naam mee van de natuurlijke personen met woon- of verblijfplaats in België die gemachtigd zijn het bureau tegenover derden te verbinden en het in rechte te vertegenwoordigen.
Art. 10. De Vlaamse regering bepaalt welke documenten en bewijsstukken het bureau bij de aanvraag tot erkenning ervan moet voegen.
Het bureau moet aan de adviescommissie alle bijkomende documenten, stukken en inlichtingen verstrekken die zij nodig acht om na te gaan of de erkenningsvoorwaarden vervuld zijn.
Indien de voorzitter van de adviescommissie of het bureau erom verzoekt wordt dit laatste gehoord.
Afdeling 2. - Intrekking van de erkenning
Art. 11. 1. De minister kan, na advies van de adviescommissie, de erkenning intrekken wanneer :
1 het bureau de bepalingen van dit decreet overtreedt;
2 de aanvrager of de verantwoordelijken van het bureau, een onherroepelijke veroordeling heeft opgelopen wegens valsheid in geschrifte of wegens misdaden en wanbedrijven, bepaald bij de titels VII en IX van het Strafwetboek, alsmede wegens de inbreuken bepaald bij artikel 19 van dit decreet;
3 de erkenning is gebeurd op basis van verklaringen die vals, onvolledig of onjuist worden bevonden;
4 het bureau heeft samengewerkt met Belgische of buitenlandse bureaus die niet over een geldige registratie of erkenning beschikken;
5 het bureau de reglementering inzake de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten overtreedt;
6 het bureau als voorwaarde stelt dat de bemiddelde personen het bureau bij iedere nieuwe bemiddeling zal laten optreden;
7 het bureau toelaat dat in het bureau activiteiten worden uitgeoefend door personen wiens erkenning werd ingetrokken of geschrapt;
8 het bureau als voorwaarde voor de plaatsing, de verplichting oplegt aankopen of uitgaven te doen in een drankgelegenheid, een hotel of een logement of in enig andere handelszaak of onderneming.
De minister dient zijn beslissing met redenen te omkleden.
Het betrokken bureau wordt vooraf gehoord door de adviescommissie of ten minste daartoe behoorlijk opgeroepen.
2. In geval het bureau niet langer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet kan de minister, hetzij op het verzoek van een gewone meerderheid van de adviescommissie, hetzij op eenparig verzoek van de werkgeversvertegenwoordigers of de werknemersvertegenwoordigers in de adviescommissie, de lopende erkenning vervangen door een erkenning voor de duur van zes maanden tijdens welke het bureau het bewijs moet leveren dat opnieuw voldaan wordt aan de erkenningsvoorwaarden.
3. De adviescommissie kan de feiten die haar ter kennis komen en die wijzen op overtredingen of tekortkomingen zoals bedoeld in 1, ter kennis brengen van de minister die de ambtenaren en beambten, zoals aangewezen krachtens artikel 18, met een onderzoek belast.
4. De in 3 bedoelde ambtenaren en beambten stellen de adviescommissie in kennis van alle waarschuwingen, termijnen en processen-verbaal bedoeld in artikel 18, 3.
Art. 12. Ingeval van definitieve stopzetting van één van de in dit decreet bedoelde activiteiten door het bureau, wordt de erkenning voor de betreffende activiteit geschrapt.
Afdeling 3. - Werkingsregelen
Art. 13. Het bureau is ertoe gehouden een tekst waarin de rechten van de werkzoekende en de werkgever worden uiteengezet, te overhandigen aan de gegadigden of in extenso aan te plakken in de voor het publiek toegankelijke lokalen van het bureau op de plaats waar hij het best kan worden gelezen.
De inhoud van deze tekst wordt vastgesteld door de minister na advies van de adviescommissie.
In afwijking van het vorige lid dient het bureau, indien de private arbeidsbemiddeling bestaat uit het bekendmaken van werkaanbiedingen door middel van de geschreven, auditieve of visuele media, de tekst waarin de rechten van de werkzoekende en de werkgever worden uiteengezet, kenbaar te maken volgens de modaliteiten die door de Vlaamse regering, na advies van de SERV, worden bepaald.
Het bureau is er eveneens toe gehouden in advertenties en in zijn briefwisseling melding te maken van het erkenningsnummer en de erkende activiteit.
Art. 14. De Vlaamse regering bepaalt, na advies van de SERV, de voorwaarden en de modaliteiten van samenwerking tussen private en publieke arbeidsbemiddelingsbureaus.
Art. 15. De bureaus dienen op geregelde tijdstippen gegevens met betrekking tot hun structuur en activiteiten mede te delen aan de minister, overeenkomstig de procedure en de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering, na advies van de SERV, en rekening houdend met de vertrouwelijkheid van de gegevens.
De aldus verkregen informatie zal in geglobaliseerde vorm op geregelde tijdstippen ter beschikking worden gesteld.


HOOFDSTUK IV. - Adviescommissie inzake arbeidsbemiddeling
Art. 16. 1. In de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen wordt een adviescommissie opgericht.
De adviescommissie dient de minister van advies omtrent de erkenning of de intrekking van de erkenning.
2. De adviescommissie is samengesteld uit :
1 een voorzitter;
2 een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties;
3 twee deskundigen die onafhankelijk staan tegenover enerzijds de organisaties die in de adviescommissie vertegenwoordigd zijn en anderzijds de bureaus bedoeld in dit decreet en waarvan tenminste één houder is van het diploma van doctor of licentiaat in de psychologie;
4 twee ambtenaren van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
De voorzitter, die onafhankelijk dient te staan ten opzichte van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, wordt aangesteld door de Vlaamse regering. Bij afwezigheid van de voorzitter neemt de administrateur-generaal van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen het voorzitterschap over.
De leden van de adviescommissie worden door de Vlaamse regering benoemd. Deze bepaalt tevens de nadere regelen betreffende de samenstelling en de werkwijze van de commissie.
Alleen de in het eerste lid, 2, genoemde leden zijn stemgerechtigd.
3. Er is onverenigbaarheid tussen het mandaat van lid van de adviescommissie en de hoedanigheid van bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of aangestelde van de in dit decreet beoogde bureaus.


HOOFDSTUK V. - Toezicht en Sancties
Art. 17. De Vlaamse regering bepaalt, na advies van de SERV, de klachtenprocedure.
Art. 18. 1. Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie houden de door de minister aangewezen ambtenaren en beambten toezicht op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
2. De in 1 bedoelde ambtenaren mogen bij uitoefening van hun opdracht :
1 tussen 5 en 21 uur zonder voorafgaande verwittiging vrij binnentreden in alle lokalen, woonruimtes uitgezonderd, waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat ze aan hun toezicht onderworpen zijn;
2 tussen 21 en 5 uur met voorafgaande toestemming van de rechter in de politierechtbank, binnentreden in de in 1 bedoelde lokalen, woonruimtes uitgezonderd, voorzover er redenen zijn om te veronderstellen dat er inbreuken gepleegd zijn op de reglementering waarop zij toezicht uitoefenen;
3 een onderzoek, een controle of een enquête instellen alsmede alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan werkelijk worden nageleefd, inzonderheid :
a) hetzij alleen, hetzij samen de persoon die het bureau exploiteert, zijn aangestelden of lasthebbers, alsook de werknemers of de werkgevers die een beroep hebben gedaan op het bureau, ondervragen over alle feiten die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht;
b) zich zonder verplaatsing alle documenten en stukken doen voorleggen die bij dit decreet zijn voorgeschreven of uittreksels ervan opmaken;
c) inzage hebben en een afschrift nemen van alle documenten en stukken die zij voor het volbrengen van hun opdracht nodig achten;
d) tegen ontvangstbewijs alle documenten en stukken in beslag nemen die het mogelijk maken een inbreuk vast te stellen;
4 de aanplak gelasten van de bescheiden die krachtens dit decreet moeten worden aangeplakt.
3. De in 1 bedoelde ambtenaren en beambten hebben het recht waarschuwingen te geven, de overtreder een termijn toe te kennen om zich in orde te stellen en processen-verbaal te maken die bewijslast hebben tot het tegendeel is bewezen.
Op straffe van nietigheid moet een afschrift van het proces-verbaal ter kennis van de overtreder worden gebracht binnen een termijn van zeven dagen na de vaststelling van de overtreding.
4. De in 1 bedoelde ambtenaren en beambten kunnen, in de uitoefening van hun ambt, de bijstand van de gemeentepolitie en de rijkswacht vorderen.
Art. 19. Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van 100 tot 5.000 frank of met één van deze straffen alleen :
1 hij die een bureau exploiteert zonder regelmatige erkenning, alsmede zijn aangestelden of lasthebbers;
2 ieder persoon, al dan niet houder van een erkenning, die een bureau exploiteert, alsmede zijn aangestelden of lasthebbers die commissieloon, bijdrage, toelatings- of inschrijvingsgelden of vorderen of innen, buiten de door dit decreet bepaalde perken;
3 ieder persoon die wetens en willens een beroep doet op een bureau waarvan de exploitant niet in het bezit is van een regelmatige erkenning;
4 ieder persoon, al dan niet houder van een erkenning, die een bureau exploiteert, alsmede zijn aangestelden of lasthebbers die het krachtens dit decreet geregelde toezicht verhinderen.
Art. 20. In geval van herhaling kan de straf bedoeld in artikel 19 op het dubbel van het maximum worden gebracht.
Art. 21. De zaakvoerder van het bureau, al dan niet houder van een erkenning, is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.
Art. 22. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de bij dit decreet vastgestelde overtredingen.
In geval van herhaling zal artikel 85 van het Strafwetboek evenwel niet van toepassing zijn.
Art. 23. De publieke rechtsvordering wegens overtreding van de bepalingen van dit decreet en van de uitvoeringsbesluiten ervan verjaart door verloop van drie jaren na het feit waaruit de vordering is ontstaan.


HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen
Art. 24. De wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten, is van toepassing op al wie in het Vlaamse Gewest activiteiten uitoefent zoals bedoeld in artikel 2, 1, zonder te beschikken over een regelmatige erkenning en de werkgever die wetens en willens een beroep doet op een bureau dat geen regelmatige erkenning heeft bekomen.
Het bedrag van de administratieve geldboete is gelijk aan het bedrag vermeld in artikel 1 van de wet en wordt vermenigvuldigd overeenkomstig artikel 11 van de wet.
Art. 25. Worden opgeheven op de datum of data bepaald door de Vlaamse regering :
1 het decreet van 6 maart 1991 houdende regeling tot erkenning van de uitzendbureaus in het Vlaamse Gewest;
2 het decreet van 3 maart 1993 houdende regeling tot erkenning van de outplacement-, wervings- en selectiebureaus in het Vlaamse Gewest;
3 het decreet van 19 april 1995 tot regeling van de arbeidsbemiddeling tegen betaling in het Vlaamse Gewest.
Art. 26. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van een overgangsregeling voor wat betreft de bureaus die een erkenning hebben bekomen in het kader van de in artikel 25 opgesomde bepalingen.
Art. 27. De Vlaamse regering bepaalt de datum waarop dit decreet in werking treedt.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.


Brussel, 13 april 1999.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
Th. KELCHTERMANS
_______
Nota
(1) Zitting 1998-1999
Stukken. - Ontwerp van decreet, 1225 - Nr. 1. - Amendementen : 1225 - Nrs 2 tot 4. - Subamendementen : 1225 - Nrs 5 en 6. - Verslag : 1225 Nr. 7.
Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 30 en 31 maart 1999.

Publicatie : 1999-06-05

 

KlinPsy - Wetgeving