MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

13 OKTOBER 2000. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddenschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding



De Vlaamse regering,
Gelet op het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, inzonderheid op de artikelen 48 en 49;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 19 mei 2000;
Gelet op het protocol nr. 368 van 28 augustus 2000 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke overheidsdiensten;
Gelet op het protocol nr. 143 van 28 augustus 2000 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité bedoeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door het feit dat voorliggend ontwerpbesluit bepaalt over welke bekwaamheidsbewijzen de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding met ingang van 1 september 2000 moeten beschikken en welke weddenschalen verbonden zijn aan de verschillende ambten binnen de centra vanaf diezelfde datum en door het feit dat elk uitstel van beslissing de werving van nieuwe personeelsleden in zeer sterke mate zou bemoeilijken;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven 7 september 2000 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen en van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;
Na beraadslaging,
Besluit :


Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding bedoeld in de artikelen 73 en 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding en op de personeelsleden van de permanente ondersteuningscellen bedoeld in de artikelen 89, 90 en 91 van hetzelfde decreet.


Art. 2. 1. De bekwaamheidsbewijzen die vereist zijn voor aanstelling en benoeming in de hierna vermelde ambten zijn :
1 arts : een diploma van arts of van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, aangevuld met de academische graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van jeugdgezondheidszorg;
2 consulent :
a) de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;
b) de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie, indien de duur van de studiën ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studiën niet in een van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
c) het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;
d) het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;
e) het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
f) het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
g) het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
h) de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut te Leuven;
i) het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de regelgeving op het hoger onderwijs;
j) het diploma van de officieren die vóór 1 januari 1965 met vrucht hun studiën hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;
k) het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur.
3 psycho-pedagogisch consulent :
a) licentiaat in de beroepsoriëntering en selectie;
b) licentiaat in de klinische psychologie;
c) licentiaat in de opvoedingswetenschappen;
d) licentiaat in de opvoedkundige wetenschappen;
e) licentiaat in de pedagogische wetenschappen;
f) licentiaat in de psychologie;
g) licentiaat in de psychologische wetenschappen;
h) licentiaat in de psychologische en pedagogische wetenschappen;
i) licentiaat in de psycho-pedagogische wetenschappen;
j) licentiaat in de sociale en culturele agogiek;
k) licentiaat in de toegepaste psychologie;
l) licentiaat in de bedrijfs- en experimentele psychologie.
4 administratief werker :
a) het diploma van technisch ingenieur;
b) het universitair diploma van burgerlijk conducteur;
c) het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;
d) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;
e) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;
f) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;
g) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut te Leuven;
h) het diploma van de tweede cyclus, uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;
i) het diploma van binnenhuisontwerper, uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten in Hasselt, het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Hasselt-Diepenbeek en het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" te Gent;
1) het diploma van binnenhuisontwerper, behaald vóór het academiejaar 1964-1965 en uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw in Antwerpen;
k) het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;
l) het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;
m) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;
n) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;
o) het diploma van de eerste cyclus, uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;
p) het diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
q) het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;
r) het diploma van onderwijzer(es);
s) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
t) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
u) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
v) het diploma van een basisopleiding in één cyclus;
w) het diploma van gegradueerde in de godsdienstwetenschappen;
x) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1;
y) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep l samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de bijkomende uitdieping van een opleidingseenheid;
z) het diploma van virtuositeit, het hoger diploma en het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;
aa) het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;
bb) het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad;
cc) het diploma van kandidaat uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;
dd) de andere diploma's van kandidaat uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie;
ee) het getuigschrift uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor dans en danspedagogiek;
5 maatschappelijk werker :
a) een diploma van de basisopleiding sociaal werk van het hoger onderwijs van één cyclus van het studiegebied sociaal-agogisch werk, waarvoor de graad van maatschappelijk assistent wordt verleend
b) of een diploma of getuigschrift van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of van een hogere technische school van de eerste graad waarvoor de graad van maatschappelijk assistent werd verleend;
6 paramedisch werker :
a) een diploma van een basisopleiding van het hoger onderwijs van één cyclus van het studiegebied gezondheidszorg
b) een diploma van het paramedisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of een paramedische opleiding of afdeling van een hogere technische school van de eerste graad
7 psycho-pedagogisch werker :
a) een diploma van de basisopleiding sociaal werk van het hoger onderwijs van één cyclus van het studiegebied sociaal-agogisch werk, waarvoor de graad van assistent in de psychologie wordt verleend
b) een diploma of getuigschrift van het sociaal hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of van een hogere technische school van de eerste graad waarvoor de graad van assistent in de psychologie werd verleend;
c) een diploma van de basisopleiding orthopedagogie van het hoger onderwijs van één cyclus van het studiegebied sociaal-agogisch werk, waarvoor de graad van gegradueerde in orthopedagogie wordt verleend
d) een diploma of getuigschrift van het sociaal hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of van een hogere technische school van de eerste graad, opleiding of afdeling orthopedagogie;
e) het diploma van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
f) het diploma van onderwijzer(es);
g) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
h) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
i) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
j) het diploma van een basisopleiding in één cyclus van het studiegebied onderwijs
k) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1;
l) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1 samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de bijkomende uitdieping van een opleidingseenheid;
8 medewerker :
a) het brevet van een aanvullende secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;
c) het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;
d) het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;
e) het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs, ingericht volgens beperkt leerplan;
f) het gehomologeerd getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
g) het gehomologeerd getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;
h) het gehomologeerd diploma van secundair onderwijs;
i) het diploma van secundair onderwijs;
j) een studiebewijs van het niveau hoger technisch secundair onderwijs;
k) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het technisch secundair onderwijs;
l) een studiebewijs van het niveau van hoger kunstsecundair onderwijs;
m) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs;
n) een studiebewijs van het niveau van hoger beroepssecundair onderwijs;
o) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;
2. In afwijking van 1, 1, kan een personeelslid, in het bezit van een diploma van arts, het ambt van arts gedurende een periode van maximum 60 maanden tijdelijk uitoefenen zonder in het bezit te zijn van de graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van jeugdgezondheidszorg, op voorwaarde dat betrokkene zich inschrijft voor de voortgezette opleiding uiterlijk het academiejaar volgend op zijn eerste aanstelling als arts. De periode van maximum 60 maanden start op 1 september van het schooljaar van de eerste aanstelling.
De aanstelling van bovenvermeld personeelslid eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg als betrokkene niet in het bezit is van de vereiste graad binnen de in het eerste lid voorgeschreven termijn.
3. De in 1 vermelde basisbekwaamheidsbewijzen moeten uitgereikt zijn, hetzij door een Belgische universiteit of door een door een wet of decreet daarmee gelijkgestelde instelling, of door een door de Staat dan wel door de Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, hetzij door een door de Staat of de Gemeenschap ingestelde examencommissie.
Buitenlandse diploma's of getuigschriften die krachtens de wet of het decreet of met toepassing van de Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord als gelijkwaardig erkend zijn, worden eveneens aangenomen.
De in een lidstaat van de Europese Unie uitgereikte diploma's of getuigschriften worden aangenomen, indien ze vergezeld gaan van een conformiteitsattest zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 15 april 1997 tot bepaling van de voorwaarden en de vorm van het conformiteitsattest voor wervingsambten in het onderwijs ter uitvoering van de Europese Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG.
4. Worden gelijkgesteld met de in 1 vermelde diploma's, getuigschriften en brevetten van een school of leergang, de diploma's uitgereikt door de technische en beroepsscholen of -leergangen die ermede gelijkgesteld zijn zoals bepaald in artikel 8, 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.
5. De volgende bekwaamheidsbewijzen worden gelijkgesteld met de graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van jeugdgezondheidszorg :
1 het diploma van geneesheer-hygiënist, richting schoolhygiëne;
2 het certificaat van geneesheer-hygiënist in de jeugdgezondheidszorg;
De bekwaamheidsbewijzen van de volgende personeelsleden worden eveneens gelijkgesteld met de graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van jeugdgezondheidszorg :
1 de personeelsleden die ten persoonlijke titel houder zijn van een specialisatietitel die voor 1 september 1985 door de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid had, overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 september 1975 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1969 met betrekking tot het verlenen van subsidies aan de erkende equipes voor medisch schooltoezicht als gelijkwaardig erkend is met het post-universitair diploma van schoolhygiënist;
2 de personeelsleden die op 31 augustus 2000 werkzaam zijn als arts in een PMS- of MST-centrum, ongeacht de aard van hun overeenkomst, en die op 1 september 2000 worden overgedragen naar een centrum voor leerlingenbegeleiding, op voorwaarde dat zij sedert 1 september 1985 tenminste gedurende vijf dienstjaren prestaties hebben verricht als arts in een PMS- of MST-centrum.
6. De bekwaamheidsbewijzen van de personeelsleden die op 31 augustus 2000 werkzaam zijn als vastbenoemd klerk in een PMS- centrum, en die op 1 september 2000 worden geconcordeerd naar het ambt van medewerker, worden eveneens gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs vereist voor het ambt van medewerker.


Art. 3. 1. De specifieke vorming inzake leidinggeven zoals bedoeld in artikel 48 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding wordt erkend indien de betrokkene een basisvorming heeft gevolgd die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1 de omvang van de vorming bedraagt ten minste 200 uur;
2 de vorming heeft ten minste betrekking op :
a) algemeen management met inbegrip van beleidsplanning;
b) personeelsmanagement met inbegrip van functiebeschrijvingen, evaluatie en teamwerk;
c) projectmanagement;
d) organisatieontwikkeling met procesmanagement en veranderingsbeheer;
3 de vorming bevat bovendien ten minste één van de volgende thema's :
a) communicatie met inbegrip van interne en externe netwerken;
b) informaticamanagement;
c) financieel beheer;
d) kwaliteitszorg;
e) leerlingenbegeleiding.
4 de vorming is niet vroeger gestart dan 1 april 1991;
8 betrokkene moet aantonen dat hij de vorming effectief gevolgd heeft.
2 De erkenning van de specifieke vorming bedoeld in 1, kan worden aangevraagd vóór de start van de vorming of na beëindiging ervan. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs erkent de specifieke vorming bedoeld in 1, na advies van een commissie.
Deze commissie is samengesteld als volgt :
1 een lid van de inspectie, op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal;
2 een lid van de dienst voor Onderwijsontwikkeling, op voorstel van de directeur van de dienst voor Onderwijsontwikkeling;
3 twee leden van verschillende Vlaamse universiteiten
4 twee ambtenaren, aangewezen door respectievelijk de secretarissen-generaal van de departementen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
3 De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs bepaalt de procedure van indiening en afhandeling van de erkenningsdossiers.
4. In afwijking van 1, worden de volgende personeelsleden die vanaf 1 september 2000 belast worden met het mandaat van directeur in een centrum, geacht de vorming bedoeld in 1 te hebben beëindigd en erkend te zijn :
1 de op 31 augustus 2000 vastbenoemde directeurs in een PMS-centrum;
2 de coördinerende artsen van een gesubsidieerde MST-equipe, die op 31 augustus 2000 minstens 5 dienstjaren coördinerend arts waren.
5. In afwijking van 1 moeten personeelsleden, die tijdelijk belast worden met de vervanging van het personeelslid dat het mandaat van directeur uitoefent, niet aantonen dat zij de erkende vorming inzake leidinggeven hebben voltooid op voorwaarde dat de duur van de vervanging in het ambt van directeur minder bedraagt dan één schooljaar.


Art. 4. Het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het ambt van directeur omvat :
1 een diploma van het hoger onderwijs van twee cycli, zijnde een bekwaamheidsbewijs vereist voor de aanstelling of benoeming in het ambt van consulent zoals bedoeld in artikel 2, 1, 2;
2 de specifieke vorming inzake leidinggeven zoals bedoeld in artikel 3;
3 een bijkomende vorming inzake leidinggeven en leerlingenbegeleiding van tenminste drie dagen of 20 uur per schooljaar.
De bijkomende vorming bedoeld in het eerste lid, 3, moet gevolgd worden vanaf het schooljaar van de aanstelling tot directeur, en dient jaarlijks op het einde van het schooljaar aangetoond te worden op de door de minister bevoegd voor het onderwijs te bepalen wijze.
Het mandaat van directeur eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg als betrokkene de bijkomende vereiste vorming niet kan aantonen, uitgezonderd in geval van overmacht.


Art. 5. 1. Voor de ambten van arts en directeur geldt de volgende weddenschaal :
weddenschaal 511/1 118 403 - 1 792 901
(24 jaar) 3/1 x 29 326
11/2 x 53 320
2. Voor de ambten van psycho-pedagogisch consulent en consulent geldt de volgende weddenschaal :
weddenschaal 501/850 920 - 1 500 526
(24 jaar) 3/1 x 27 548
11/2 x 51 542
3. Voor de ambten van maatschappelijk werker, paramedisch werker, psycho- pedagogisch werker en administratief werker geldt de volgende weddenschaal :
weddenschaal 333/670 467 - 1 183 277
(23 jaar) 2/1 x 25 771
1/1 x 24 050
1/1 x 27 492
2/2 x 36 731
1/1 x 8 349
1/1 x 36 435
8/2 x 36 435
4. Voor het ambt van medewerker geldt de volgende weddenschaal :
weddenschaal 202/567 318 - 744 187
(20 jaar) 3/1 x 11 183
2/2 x 13 056
8/2 x 14 651
Na negen jaar dienstanciënniteit in de categorie van het administratief personeel, geldt voor de vastbenoemde medewerkers de volgende weddenschaal :
weddenschaal 203/633 609 - 909 439
(20 jaar) 3/1 x 11 183
13/2 x 18 637
5. De vergoeding voor coordinatiefuncties wordt vastgesteld als volgt :
vergoeding voor coördinatiefuncties
137 000


Art. 6. 1. Voor personeelsleden die op 31 augustus 2000 werkzaam waren in een PMS-centrum of in een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht en die niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 2, gelden de volgende weddenschalen :
1 arts, niet in het bezit van de graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van jeugdgezondheidszorg of een hiermee gelijkgesteld bekwaamheidsbewijs :
weddenschaal 276/1 029 637 - 1 540 830
(24 jaar) 3/1 x 24 931
10/2 x 43 640
2 paramedisch werker, in dienst voor 1 april 1965 bij een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, niet in het bezit van een diploma van een opleiding van het hoger onderwijs van één cyclus van het studiegebied gezondheidszorg of een hiermee gelijkgesteld bekwaamheidsbewijs :
weddenschaal 277/587 894 - 923 037
(20 jaar) 3/1 x 10 578
1/2 x x 10 578
1/2 x 14 108
2/2 x 28 225
9/2 x 24 697
2. Voor personeelsleden die op 31 augustus 2000 werkzaam waren in een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht als administratief bediende en die overeenkomstig artikel 182 van het decreet CLB geconcordeerd werden naar het ambt van medewerker, behouden bij wijze vanovergang met toepassing van artikel 191 van hetzelfde decreet de weddenschaal die zij hadden op 31 augustus 2000, zijnde :
weddenschaal 278/528 677 - 852 480
(20 jaar) 3/1 x 10.578
2/2 x 10.201
11/2 x 24.697
of
weddenschaal 279/556 138 - 891 283
(20 jaar) 3/1 x 10.578
1/2 x 10.578
1/2 x 14.108
2/2 x 28.226
9/2 x 24.697
3. Personeelsleden die op 31 augustus 2000 werkzaam waren in een PMS-centrum en die niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 2, behouden in hun nieuwe ambt de vroegere weddenschaal.


Art. 7. Een centrum dat een overeenkomst heeft met zelfstandige artsen krachtens artikel 198 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, ontvangt hiervoor per schooljaar een bijkomend werkingsbudget.
Het bedrag dat wordt toegekend per equivalent van een voltijdse arts, wordt vastgesteld op 1.400.000 frank. Dit bedrag ondergaat de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
Dit bedrag is vastgesteld op 1 augustus 1995 en is vanaf 1 januari 1990 gekoppeld aan de spilindex 138,01.
Bij prestaties die niet het equivalent van een voltijdse betrekking bereiken, wordt het bedrag pro rata berekend.
De modaliteiten voor de toekenning en de aanwending van het totale bedrag bestemd voor de zelfstandige artsen, worden bepaald door de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs.


Art. 8. De modaliteiten voor de toekenning en de aanwending van het totale bedrag bestemd voor de loonkost van de personeelsleden, bedoeld in artikel 190, 3, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, worden bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
Onder loonkost dient te worden verstaan :
1 de brutomaandwedde
2 het werkgeversaandeel in de Rijks Sociale Zekerheid
3 het wettelijk vakantiegeld en het vakantiegeld bij beëindiging of wijziging van de arbeidsovereenkomst
4 de eindejaarstoelage


Art. 9. De weddenschalen, bedoeld in artikel 5 en 6, worden vastgesteld op 1 augustus 1995.


Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2000.


Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, zijn ieder voor wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.


Brussel, 13 oktober 2000.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen,
Mevr. M. VOGELS
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN


Publicatie : 2000-12-22

 

KlinPsy - Wetgeving