MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

17 DECEMBER 1999. - Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg



Gelet op het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg, inzonderheid artikelen 9, 2, 3 en 4, 20, 2, 29, 3 en 32, 1, 3 en 4;
Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 8 juni 1999 betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 september 1999 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, van 17 december 1999;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen;
Na beraadslaging,
Besluit :


HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen


Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1 het decreet: decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg;
2 de Vlaamse minister: Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid;
3 de administratie: administratie Gezondheidszorg van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;
4 centrum: centrum voor geestelijke gezondheidszorg zoals bepaald in artikel 2, 1, van het decreet;
5 de Vlaamse Gezondheidsraad: de Vlaamse Gezondheidsraad opgericht bij het decreet van 20 december 1996 houdende oprichting van een Vlaamse gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad inzake erkenning van verzorgingsvoorzieningen;
6 de Vlaamse Adviesraad: de Vlaamse Adviesraad voor erkenning van verzorgingsvoorzieningen, opgericht bij het decreet van 20 december 1996 houdende oprichting van een Vlaamse gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad inzake erkenning van verzorgingsvoorzieningen.

 


HOOFDSTUK II. - Opdrachten en werking


Art. 2. Ter uitvoering van artikel 9, 2, van het decreet kan de Vlaamse minister convenants sluiten met centra voor een termijn van maximaal 3 jaar.


Art. 3. De centra met specifieke aandacht voor de verslavings-problematiek wijzen een personeelslid aan als aanspreekpunt voor de Vereniging van Alcohol en andere Drugproblemen zoals bedoeld in artikel 9, 3, van het decreet.


Art. 4. De centra rapporteren jaarlijks over de aard en omvang van de aanvullende taken zoals bedoeld in artikel 9, 4, van het decreet aan de Vlaamse minister.

 


HOOFDSTUK III. - Erkenning van Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg


Art. 5. Een centrum wordt door de Vlaamse minister erkend voor een hernieuwbare periode van 6 jaar.


Art. 6. Een centrum kan enkel worden erkend als:
1 het daartoe een ontvankelijke aanvraag heeft ingediend;
2 het voldoet aan de erkenningsvoorwaarden van artikel 20, 1, van het decreet.


Art. 7. 1. De aanvraag tot eerste erkenning moet door de inrichtende macht per aangetekende brief worden toegezonden aan de administratie samen met volgende documenten:
1 een kopie van de statuten van de vzw of van de vereniging opgericht volgens artikel 118 tot en met 135 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de OCMW die het centrum zal beheren;
2 een plan van de gebouwen en de infrastructuur waaruit blijkt dat wordt voldaan aan artikel 20 1, 2, en 3 van het decreet;
3 de bepaling van het werkgebied;
4 een kopie van het akkoord over de afspraken genoemd in artikel 27, 3, van het decreet;
5 een lijst van de personeelsleden, met hun kwalificaties en barema, waaruit blijkt dat de voorwaarden van artikel 32, 3, en 4 van het decreet worden nageleefd.
2. Voor een verlenging van de erkenning moet het centrum, samen met het driejaarlijkse voorstel van beleidsplan, bevestigen dat nog aan alle erkenningsvoorwaarden wordt voldaan. Deze bevestiging geldt als aanvraag voor verlenging van de erkenning.
3. Het centrum moet de administratie onmiddellijk op de hoogte brengen van elke wijziging in de organisatie die de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 20, 1, van het decreet of de ontvankelijkheidsvoorwaarden in het kader van de erkenningsprocedure, bedoeld in 1, beïnvloeden.


Art. 8. 1. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt de reden daarvan binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag door de administratie schriftelijk aan het centrum bekendgemaakt.
2. Bij een ontvankelijke aanvraag wordt binnen vier maanden na de ontvangst van de aanvraag aan het centrum ofwel de gemotiveerde beslissing van de Vlaamse minister tot erkenning of verlenging van de erkenning, ofwel het gemotiveerde voornemen tot weigering van de erkenning of verlenging van de erkenning betekend per aangetekende brief. De brief waarmee het voornemen tot weigering wordt betekend, vermeldt de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen, zoals bedoeld in artikel 9, 1.


Art. 9. 1. De aanvrager kan, tot uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het in artikel 8, 2 genoemde voornemen, met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift, gericht aan de Vlaamse minister, bij de administratie indienen. Hij kan daarin uitdrukkelijk vragen om gehoord te worden.
2. De administratie bezorgt, binnen vijftien dagen na ontvangst ervan, het bezwaarschrift samen met het volledige administratieve dossier aan de Vlaamse adviesraad.


Art. 10. 1. Binnen een maand nadat de Vlaamse minister het advies van de Vlaamse adviesraad heeft ontvangen wordt de gemotiveerde beslissing van de Vlaamse minister tot erkenning of verlenging van erkenning of tot weigering per aangetekende brief aan het centrum betekend. Als de Vlaamse minister het advies niet heeft ontvangen binnen de reglementair bepaalde termijn, gebeurt dat binnen een maand na het verstrijken van die termijn.
2. Als het advies ontbreekt, kan de Vlaamse minister geen beslissing nemen zonder dat hij de aanvrager heeft gehoord, als hij daarom in zijn bezwaarschrift heeft verzocht. In dat geval wordt de in 1 bedoelde termijn met één maand verlengd.


Art. 11. 1. Indien tegen het voornemen tot weigering geen bezwaarschrift werd ingediend, wordt binnen een maand na het verstrijken van de termijn genoemd in artikel 9, 1, de gemotiveerde beslissing van de Vlaamse minister per aangetekende brief aan het centrum bezorgd.
2. Indien zulks voor de toepassing van artikel 27, 4, van het decreet vereist is, kan de Vlaamse minister afwijken van de termijn waarbinnen hij zijn beslissingen over de aanvragen moet betekenen, teneinde deze beslissingen gelijktijdig te kunnen nemen. De Vlaamse minister stelt de betrokken centra bij een gemotiveerd schrijven in kennis van zijn voornemen tot afwijking.


Art. 12. Als de erkenning of de verlenging van erkenning door de Vlaamse minister wordt geweigerd kan het centrum geen nieuwe erkenningsaanvraag indienen, tenzij het aantoont dat de reden voor de weigering niet langer bestaat.


Art. 13. 1. Als een erkend centrum niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 20, 1, van het decreet, kan de administratie het centrum per aangetekende brief aanmanen om binnen een door haar te bepalen termijn alle verplichtingen na te komen.
2. Als het centrum ondanks die aanmaning de voorwaarden niet naleeft, kan de erkenning worden ingetrokken door de Vlaamse minister.


Art. 14. Het gemotiveerde voornemen van de Vlaamse minister om de erkenning in te trekken wordt met een aangetekende brief aan het centrum betekend. Daarin worden de mogelijkheden en de voorwaarden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen zoals bepaald in artikel 10, 1. Artikelen 10, 2, tot en met 12, 1, zijn van overeenkomstige toepassing.


Art. 15. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een aangetekende brief geacht ontvangen te zijn de eerste werkdag volgend op de dag van zijn verzending.

 


HOOFDSTUK IV. - Investeringsmiddelen


Art. 16. Het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor de preventieve en ambulante gezondheidszorg is van toepassing op de werken, bedoeld in artikel 29, 3, van het decreet.

 


HOOFDSTUK V. - Personeel en leidinggevenden


Art. 17. 1. Ter uitvoering van artikel 32, 1, van het decreet moet de deskundigheid inzake leidinggeven vastgesteld worden door een multidisciplinair bureau dat inzake screening van leidinggevenden minstens vijf jaar ervaring kan aantonen. De kandidaat leidinggevenden moeten een attest, waarin drie jaar leidinggeven worden aangetoond, kunnen voorleggen.
2. Met het oog op de continuïteit komen de personeelsleden, die gedurende drie jaar in een centrum, genoemd in het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 1988 inzake erkenning en betoelaging van de centra voor geestelijke gezondheidszorg, hebben gewerkt, in aanmerking voor de leidinggevende functie voor zover hun leidinggevende competenties zijn vastgesteld door een multidisciplinair bureau, zoals bedoeld in 1.
3. De factuur van de screening van de kandidaten wordt aan de administratie overgemaakt, conform de regels door de minister voorgeschreven.


Art. 18. 1. Ter uitvoering van artikel 32, 3, van het decreet dienen de disciplines, genoemd in artikel 9, 1, 4 van het decreet, minstens elk voor één voltijds equivalent te behoren tot het personeelskader van het centrum. De leidinggevende functie is een voltijdse functie voor één persoon.
2. De centra kennen aan hun personeelsleden, bedoeld in 1, minimaal de barema's toe die van toepassing zijn binnen het paritair comité 305.01 voor de overeenkomstige disciplines, respectievelijk het barema 1.80 voor de personeelsleden met een universitair diploma en het barema 1.55/1.61/1.77 voor de personeelsleden met een HOBU-diploma. Voor de logistieke functie geldt minimaal de aanvangswedde van het barema 1.39.
3. Voor de personeelsleden, bedoeld in 1, gelden de volgende diplomavoorwaarden:
1 voor de psychiatrische discipline: geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie of geneesheer-specialist in de psychiatrie;
2 voor de psychologische discipline: doctor of licentiaat in de psychologische en/of pedagogische wetenschappen;
3 voor de agogische discipline: houder zijn van het diploma dat geldt voor de psychologische of sociale discipline;
4 voor de sociale discipline: een diploma behaald in het studiegebied sociaal-agogisch werk, zoals bedoeld in de bijlage 1 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse gemeenschap.


Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2000.


Art. 20. De Vlaamse minister, Bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.


Brussel, 17 december 1999.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke-Kansen,
Mevr. M. VOGELS

Publicatie : 2000-04-20

 

KlinPsy - Wetgeving