MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

2 DECEMBER 1997. Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling



De Vlaamse regering,
Gelet op het decreet van 29 mei 1984 houdende de oprichting van Kind en Gezin, inzonderheid op artikel 4bis, ingevoegd bij het decreet van 11 juni 1997;
Gelet op het advies van de raad van bestuur van Kind en Gezin, gegeven op 28 mei 1997;
Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering van 2 december 1997;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Gelet dat onverwijld de nodige maatregelen moeten genomen worden om de leefbaarheid van de vertrouwenscentra kindermishandeling te vrijwaren en de continuïteit van de regelgeving te verzekeren;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn;
Na beraadslaging,
Besluit :


Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1 kindermishandeling : een situatie waarin een kind lichamelijk of psychisch schade wordt berokkend, actief door schadelijk optreden of passief door ernstige nalatigheid van volwassenen die voor het kind moeten zorgen;
2 vertrouwenscentrum kindermishandeling : een centrum dat de opdrachten vervult, vermeld in artikel 2 van dit besluit, en hiertoe overeenkomstig dit besluit door de Vlaamse regering erkend is;
3 de minister : de Vlaamse minister bevoegd voor de bijstand aan personen.


Art. 2. Een vertrouwenscentrum kindermishandeling, hierna het centrum te noemen, dient de volgende opdrachten uit te voeren :
1 het fungeert als meldpunt als het voor de hulpvrager niet mogelijk is melding te doen aan een vertrouwde hulpverlener;
2 het zorgt voor de eerste opvang van de betrokkenen en voor de gespecialiseerde diagnose met het oog op een efficiënte doorverwijzing naar de gepaste hulpverlening;
en het verwijst efficiënt door naar de gepaste hulpverlening;
3 het volgt de hulpverlening op en coördineert ze indien nodig;
het staat uitzonderlijk zelf in voor de begeleiding en de behandeling van slachtoffers van kindermishandeling en hun gezin, m.n. indien doorverwijzing tegenaangewezen of onuitvoerbaar is;
4 het staat in voor de ondersteuning van hulpverleners die te maken hebben met de problematiek van kindermishandeling, en die terzake advies vragen; het staat ook in voor de systematische overdracht van zijn deskundigheid aan andere relevante instanties;
5 het ontwikkelt de eigen deskundigheid voortdurend verder m.b.t. preventie, detectie, diagnose en hulpverlening bij kindermishandeling;
6 het draagt bij tot de sensibilisering van de samenleving;
7 het signaleert evoluties en knelpunten in de hulpverlening betreffende kindermishandeling aan de bevoegde overheden.


Art. 3. 1. Het centrum kan enkel erkend worden en blijven, als het aan de volgende voorwaarden voldoet :
1 het vervult blijvend de opdrachten, omschreven in artikel 2;
2 het beschikt over een basisteam met een arts-specialist, een licentiaat in de psychologie of pedagogie, een maatschappelijk assistent en een administratieve functie;
3 het vormt functionele netwerken met de hulpverleningsinstanties die een rol kunnen opnemen op vlak van preventie, detectie, diagnose en hulpverlening bij kindermishandeling; in dit kader sluit het samenwerkingsakkoorden af met de andere voorzieningen die ook op het domein van kindermishandeling werkzaam zijn, inzonderheid met de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg;
4 het is permanent bereikbaar voor meldingen van vermoedens of vastgestelde gevallen van kindermishandeling, via een eenvoudig toegankelijk telefoonnummer;
5 het werkt mee aan de door de overheid gevraagde registratie;
6 het is opgericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk;
7 het deelt alle wijzigingen in de statuten en in de samenstelling van de raad van bestuur mee aan Kind en Gezin;
8 het voert een boekhouding overeenkomstig een rekeningstelsel en volgens de richtlijnen die door Kind en Gezin worden bepaald;
9 het onderwerpt zich aan het toezicht van Kind en Gezin op de besteding van de subsidies die aan het centrum zijn toegekend;
10 het onderwerpt zich aan de controle en inspectie van Kind en Gezin.
2. Met betrekking tot artikel 3, 1, 2 worden in het basisteam per centrum minstens 4,5 voltijdse equivalenten opgenomen, waarbinnen elk van de in artikel 3, 1, 2 genoemde kwalificaties minimaal uit een halftijdse functie moet bestaan.
3. Met betrekking tot artikel 3, 1, 3 bepaalt de minister met welke overige sectoren en volgens welke procedure de samenwerkingsakkoorden worden gesloten.
4. Met betrekking tot artikel 3, 1, 4 bepaalt de minister de voorwaarden van het realiseren van een wachtdienst buiten de kantooruren.


Art. 4. 1. Het centrum dient zijn aanvraag tot erkenning in bij Kind en Gezin, met toevoeging van :
1 de stukken waaruit blijkt dat de in artikel 3 gestelde voorwaarden vervuld zijn.
2 een verantwoordingsnota op basis van de vastgestelde behoeften, waarin op uitvoerige wijze de noodzaak van een centrum wordt aangetoond en het doelstellingenprogramma van het centrum wordt toegelicht, alsmede het actieplan om dat te verwezenlijken.
2. Kind en Gezin onderzoekt, indien nodig na opvraging van bijkomende stukken of inlichtingen, of de aanvraag aan de voorgeschreven ontvankelijkheidsvereisten voldoet en of het centrum dat de aanvraag heeft ingediend, voldoende kwalitatieve waarborgen biedt voor een adequaat functioneren.
3 Kind en Gezin kan in elke provincie van het Nederlandse taalgebied en in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad één centrum erkennen.
4. Het centrum wordt erkend voor onbepaalde termijn.
5. De minister bepaalt de erkenningsprocedure en de beroepsprocedure tegen een weigering van erkenning.


Art. 5. 1. De erkenning kan worden ingetrokken als :
1 het centrum niet meer aan de in dit besluit gestelde voorwaarden voldoet;
2 de inlichtingen die ter uitvoering van de artikelen 3 en 9 werden geleverd, wetens en willens werden vervalst;
3 het centrum een ernstige onregelmatigheid begaat, inzonderheid met betrekking tot wat in artikel 9 is bepaald.
2. Als Kind en Gezin zich voorneemt om de erkenning in te trekken, wordt het met redenen omklede voornemen bij aangetekende zending ter kennis gebracht van het centrum.
3. De minister bepaalt de modaliteiten van de intrekkingsprocedure en de beroepsprocedure tegen een intrekking van erkenning.


Art. 6. 1. Elk erkend centrum ontvangt jaarlijks een basissubsidie van 9 000 000 Belgische frank.
2. Elk centrum ontvangt jaarlijks een extra subsidie, waarvan het bedrag door de minister jaarlijks vastgesteld wordt in verhouding tot het aantal minderjarigen die in de desbetreffende provincie van het Nederlandse taalgebied of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven.
Wat het centrum betreft dat gevestigd is in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, wordt de in vorig lid bedoelde extra subsidie met 1 % verhoogd met het oog op de verwerking van de meldingen van minderjarigen die hun woonplaats hebben buiten het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. Hiertoe wordt 1 % afgehouden van de extra subsidies van de aangrenzende provincies met name 0,5 % van Vlaams-Brabant, 0,25 % van Antwerpen en 0,25 % van Oost-Vlaanderen.
3. De in 1 en 2 bedoelde subsidies mogen uitsluitend aangewend worden om die uitgaven te dekken die specifiek zijn voor het functioneren van het centrum en die niet gedragen worden of kunnen worden door de voorzieningen bedoeld in artikel 3, 1, 3.
4. De in 1 bedoelde basissubsidie wordt jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. De bedragen zijn vastgesteld op basis van de gezondheidsindex van december 1996, meer bepaald op 121,29.


Art. 7. Elk centrum besteedt 70 % tot 85 % van het totaal van de subsidies bedoeld in artikel 6, 1 en 2, aan personeelskosten en 15 % tot 30 % aan werkingskosten.

Art. 8. 1. Als de krachtens dit besluit toegekende subsidie meer bedraagt dan de reële in artikel 6, 3 bedoelde uitgaven, moet het centrum met het saldo reserves opbouwen.
2. Die reserves moeten worden aangewend voor dezelfde doeleinden en onder dezelfde voorwaarden als de subsidie, uitgekeerd volgens dit besluit.
3. Reserves opgebouwd na 1 januari 1997 die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidies bedoeld in artikel 6, 1 en 2 worden integraal teruggestort aan Kind en Gezin.


Art. 9. De subsidie, vermeld in artikel 6 wordt per kalenderjaar toegekend aan elk centrum dat erkend is overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en dat aan Kind en Gezin de volgende stukken meedeelt, overeenkomstig de richtlijnen van Kind en Gezin :
1 stukken over het voorbije werkingsjaar :
a) een staat van inkomsten en uitgaven en een begroting voor het komende werkingsjaar, die door de bevoegde organen van het centrum zijn goedgekeurd en waarin de subsidies worden vermeld die van andere openbare besturen werden ontvangen of worden verwacht;
b) een lijst van de leden van het team bedoeld in artikel 3, 2 van dit besluit, met vermelding van hun diploma's en hun ervaring inzake kindermishandeling;
c) een verslag over de activiteiten van het voorbije werkingsjaar met in het bijzonder een analyse van de behandelde problemen, de gevolgde methoden, de samenwerking met andere voorzieningen en een evaluatie van het optreden van het centrum op doelgerichtheid en effect;
2 andere stukken over het lopende jaar, zoals bepaald door Kind en Gezin en in te dienen binnen de door Kind en Gezin bepaalde termijnen.


Art. 10. Elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van dit besluit, is ertoe gehouden de feiten die hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd, strikt geheim te houden.


Art. 11. Het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 1987 houdende vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van centra voor hulpverlening inzake kindermishandeling, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 19 december 1990, 20 juli 1994 en 4 maart 1997, wordt opgeheven.


Art. 12. De erkenningen die op basis van het in artikel 11 genoemde besluit zijn verleend, blijven gelden voor de duur waarvoor ze zijn toegekend.


Art. 13. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.


Art. 14. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.


Brussel, 2 december 1997.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn,
L. MARTENS


Publicatie : 1997-12-25

 

 KlinPsy - Wetgeving