FRANSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

20 JULI 2000. - Besluit 2000/279 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet betreffende de toekenning van de erkenning en van subsidies aan de opvangtehuizen



Het College,
Gelet op het decreet van de Raad van de Franse Gemeenschapscommissie van 27 mei 1999 betreffende de toekenning van de erkenning en van subsidies aan de opvangtehuizen;
Gelet op het advies van de afdeling "Hébergement" van de "Conseil consultatif bruxellois francophone de l'Aide aux Personnes et de la Santé", verstrekt op 11 april 2000;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, verstrekt op 3 mei 2000;
Gelet op de instemming van het Lid van het College bevoegd voor begroting van 10 mei 2000;
Gelet op de beraadslaging van het College over de vraag om advies aan de Raad van State binnen een termijn van ten hoogste één maand;
Gelet op het advies van de Raad van State L. 30. 192/4, verstrekt op 12 juli 2000, in toepassing van artikel 84, eerste lid, 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van het Lid van het College bevoegd voor Sociale Actie en het Gezin;
Na beraadslaging,
Besluit :


HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Dit artikel regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 128 van de Grondwet krachtens artikel 138 van de Grondwet.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
1 het tehuis : het opvangtehuis dat als taken heeft : het onthaal, het verschaffen van onderdak en psychosociale hulp aan de begunstigden om hun zelfstandigheid, hun lichamelijk welzijn en hun herinschakeling in de maatschappij te bevorderen.
2 de sociale herinschakeling : proces dat de begunstigden in staat moet stellen zich opnieuw hun rechten eigen te maken zoals onder meer hun recht op arbeid, op huisvesting, op sociale zekerheid, zodat ze opnieuw zelfstandig worden. De herinschakeling gebeurt gecoördineerd met de overnachting.


HOOFDSTUK II. - Erkenningsvoorwaarden en -wijze voor de huizen
Art. 3. De maximaal erkende opvangcapaciteit wordt voor elke categorie vastgesteld in functie van het aantal bedden en in naleving van de in hoofdstuk IV bedoelde architectuurnormen.
Art. 4. Het tehuis moet voldoen aan de onderstaande algemene voorwaarden :
1 voor zijn organisatie uitsluitend aanzien worden als horend onder de Franse Gemeenschap;
2 instaan voor de bijscholing van het personeel in functie van zijn activiteit;
3 zich onderwerpen aan evaluaties, bezoeken en door het bestuur gecoördineerde controles;
4 aan het bestuur alle verantwoordingsstukken verstrekken die vereist zijn voor de uitvoering van de controle;
5 het bestuur binnen twee weken op de hoogte stellen van iedere wijziging die verband houdt met de erkennings- en subsidiëringsnormen;
6 met eerbiediging van de levensbeschouwelijke en godsdienstige overtuiging van eenieder de betrokken begunstigden op de hoogte stellen van het bestaan van centra voor maatschappelijke en medische bijstand en, in voorkomend geval, ze hiernaar door verwijzen;
7 zich ertoe verbinden op grond van artikel 3, 11, van het decreet overeenkomsten op te stellen met de door de Franse Gemeenschapscommissie bekende of erkende diensten die specifiek belast werden met de doorverwijzing van begunstigden, onverminderd de overige overeenkomsten die overeenkomstig dit artikel worden opgesteld;
8 op anonieme basis de gegevens verzamelen, bedoeld in bijlage 2 van dit besluit, die betrekking hebben op de begunstigden en deze doorsturen naar de door het College aangestelde diensten en instellingen volgens een door het College bepaalde frequentie.
Art. 5. Om erkend te worden, moet het tehuis daarenboven een dossier samenstellen met de onderstaande gegevens en documenten :
1 de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel en van de plaatsen waar de activiteiten plaatsvinden;
2 een afschrift van de statuten van de vzw, zoals deze in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt werden, samen met eventuele wijzigingen hieraan;
3 de bijgewerkte lijst met de leden van de Algemene Vergadering;
4 de naam van de persoon die verantwoordelijk is voor het dagelijks beheer en van de persoon die gemachtigd is om het tehuis te vertegenwoordigen;
5 de lijst van het personeel en voor elk personeelslid een afschrift van het arbeidscontract of van de overeenkomst die het aan het tehuis bindt;
6 het huishoudelijk reglement;
7 het gemeenschappelijk project van het tehuis met het standpunt van het personeel met arbeidscontract;
8 de plattegrond van de kantoren en ieder document waaruit blijkt dat ze het tehuis in gebruik heeft;
9 een document dat staaft dat de dienst een burgerlijke-aansprakelijkheidsverzekering heeft gesloten, alsook een verzekering die het brandrisico dekt, alsmede de kwitanties als bewijs dat de desbetreffende premies zijn betaald;
10 een verslag van de gewestelijke dienst voor brandbestrijding van minder dan drie jaar oud;
11 een afschrift van de samenwerkingsovereenkomsten bedoeld in artikel 3, 11, van het decreet van 27 mei 1999 betreffende de toekenning van de erkenning en van subsidies aan de opvangtehuizen, hierna het decreet genoemd;
12 een nota ter verantwoording van de oordeelkundige vestiging op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in verhouding tot het gemeenschappelijk project van het tehuis.
Het dossier moet worden ondertekend, gedateerd, voor echt, volledig en eensluidend verklaard door de persoon of personen die gemachtigd is of zijn om het tehuis te vertegenwoordigen.
Art. 6. Het overzicht van het gemeenschappelijk project, het model van het inschakelingsproject, het tehuishoudelijk reglement en het model van het activiteitenverslag bedoeld in artikel 3, 4, 5, 7 en 9 van het decreet werden ook aan dit besluit aangehecht als bijlagen 1, 2, 3 en 4.


HOOFDSTUK III. - Erkenningsprocedure
Afdeling 1. - Aanvraagprocedure voor de erkenning
Art. 7. De erkenningsaanvraag voor een tehuis moet worden ingediend bij ter post aangetekend schrijven of tegen ontvangstbewijs afgegeven bij het bestuur.
Om ontvankelijk te zijn, moet zij de documenten en gegevens bevatten die zijn bedoeld in artikel 5 van dit besluit. Daarnaast preciseert zij tevens de categorie(ën) waarvoor de erkenning wordt aangevraagd en, per categorie, de maximale opvangcapaciteit.
Art. 8. Binnen twee maanden na ontvangst van de erkenningsaanvraag deelt het bestuur het tehuis mee dat zij ontvankelijk is of, bij onvolledigheid, verzoekt het de aanvraag aan te vullen binnen een termijn van één maand na deze bekendmaking.
Art. 9. Als de aanvraag ontvankelijk is, dan onderzoekt het bestuur de erkenningsaanvraag en bezoekt het tehuis om na te gaan of het beantwoordt aan de erkenningsvoorwaarden.
Het in artikel 3, 3, van het decreet bepaalde advies van het "Office de la Naissance et de l'Enfance" heeft betrekking op :
1 het gemeenschappelijk project voor de kinderopvang;
2 de geschiktheid van de gemeenschappelijke ruimten voor kinderopvang;
3 de terbeschikkingstelling van educatieve uitrusting;
4 de individuele projecten voor zwangere vrouwen en voor opgevangen kinderen, met inbegrip van de voorschoolse integratie.
De Dienst (ONE) verstrekt zijn advies binnen drie maanden nadat het dossier bij hem aanhangig werd gemaakt.
Is deze termijn verstreken, dan wordt het advies als gunstig aanzien.
De Minister legt de erkenningsaanvraag voor aan de afdeling "Hébergement" van de "Conseil consultatif bruxellois francophone de l'Aide aux Personnes et de la Santé", hierna de Adviesraad genoemd, zoals deze bij decreet van 5 juni 1997 van de Raad van de Franse Gemeenschapscommissie werd opgericht, en deze verstrekt een advies binnen twee maanden nadat het dossier bij hem aanhangig werd gemaakt.
Is deze termijn verstreken, dan wordt de procedure bij gebrek aan advies verdergezet. Bij dringendheid kan de Minister een kortere termijn vaststellen.
Art. 10. Het College oordeelt over de erkenningsaanvraag en deelt zijn beslissing ten laatste twee maanden na het advies van de Adviesraad mee aan het tehuis.
Elke beslissing tot weigering wordt ten laatste twee maanden na het advies van de Adviesraad per aangetekend schrijven meegedeeld.
Afdeling 2. - Hernieuwingsprocedure voor de erkenning
Art. 11. Het tehuis behoudt zijn erkenning tot er wordt geoordeeld over de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning op grond van de procedure bepaald in de artikelen 7 tot 10 van dit besluit.
Ten laatste negen maanden voordat de lopende erkenning verstrijkt, moet deze hernieuwingsaanvraag bij ter post aangetekend schrijven ingediend of tegen ontvangstbewijs afgegeven worden bij het bestuur.
Zij gaat vergezeld van in artikel 5 van dit besluit bedoelde documenten en gegevens die wijzigingen hebben ondergaan.
Afdeling 3. - Procedure tot aanpassing en tot intrekking van de erkenning
Art. 12. Elke aanvraag tot aanpassing van de erkenning verduidelijkt en motiveert het voorwerp van de aanpassing.
Het bestuur stelt het tehuis op de hoogte van de gegevens die nodig zijn om de aanvraag tot aanpassing van de erkenning te onderzoeken op grond van de in de eerste afdeling van dit besluit bedoelde regels die gelden voor de erkenningsaanvraag.
Art. 13. Als een bepaling van het decreet of van dit besluit niet wordt nageleefd, dan stuurt het bestuur het tehuis een aangetekend schrijven toe, waarin het erop aandringt dat dit zich binnen een termijn van twee maanden in regel stelt.
Als na het verstrijken van deze termijn de toestand niet geregulariseerd is, dan stelt het bestuur aan de Minister voor de erkenning in te trekken of aan te passen.
Art. 14. De Minister stelt het tehuis er bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs van op de hoogte dat een procedure loopt tot intrekking of tot aanpassing van de erkenning.
Vanaf de dag van deze bekendmaking beschikt het tehuis over een termijn van dertig dagen om bij de Minister een verantwoordingsnota in te dienen. Deze stuurt ze door naar de Adviesraad.
Van zodra de Adviesraad de verantwoordingsnota heeft ontvangen, kan een afgevaardigde van het tehuis, indien hij daarom verzoekt, binnen een termijn van twee weken door de Raad gehoord worden.
De Adviesraad stelt de datum en het tijdstip van de hoorzitting vast en brengt het tehuis hiervan bij ter post aangetekend schrijven op de hoogte. De persoon die door het tehuis als vertegenwoordiger is aangesteld, mag zich door een tweede persoon laten vergezellen.
De Adviesraad maakt zijn advies aan de Minister bekend binnen twee maanden nadat het dossier aanhangig is gemaakt.
Art. 15. De beslissing van het College tot intrekking of tot aanpassing van de erkenning wordt aan het tehuis bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs bekendgemaakt.
De beslissing tot intrekking of tot aanpassing van de erkenning brengt met zich dat de subsidies aan het tehuis helemaal of gedeeltelijk worden opgeschort drie maanden na de dag waarop de beslissing werd bekendgemaakt.
Het tehuis is verplicht de beslissing tot intrekking of tot aanpassing van de erkenning, van zodra deze werd bekendgemaakt, mee te delen aan de begunstigden of hun wettelijke vertegenwoordigers, aan het personeel en aan al wie het aanbelangt.
Afdeling 4. - Vrijwillige sluitingsprocedure
Art. 16. Wanneer de inrichtende macht beslist het tehuis vrijwillig te sluiten, dan deelt zij deze beslissing aan de Minister mee ten laatste drie maanden voordat zij van kracht wordt.


HOOFDSTUK IV. - Architectuurnormen
Art. 17. Het tehuis moet opgericht worden of zich bevinden op een gezonde plaats die geschikt is voor de sociale herinschakeling van de begunstigden.
Art. 18. De gebouwen moeten regelmatig onderhouden worden en vocht of inwatering moet bestreden.
De verwarming moet de temperatuur in de verblijfsruimten op ten minste 18 C kunnen brengen, ongeacht de weersomstandigheden.
De verluchting en natuurlijke verlichting moeten in alle ruimten toereikend zijn.
Drinkbaar water van het distributienet moet overal in de gebouwen vlot toegankelijk zijn.
Art. 19. Het tehuis moet afzonderlijke verblijfsruimten bieden voor educatieve activiteiten.
In een tehuis dat kinderen opvangt, moet de uitrusting van de gemeenschappelijke ruimten een familiaal en pedagogisch klimaat waarborgen.
De ruimten waar kinderen verblijven zijn niet-rokers lokalen.
Art. 20. Er moet zich sanitair bevinden nabij de ruimten voor educatieve activiteiten, de verblijfruimten en de kamers. Deze ruimten moeten over een efficiënte ventilatie beschikken.
Art. 21. Het tehuis beschikt minstens over :
1 één toilet per tien begunstigden;
2 één bad of een douche per tien begunstigden;
3 één voor iedereen toegankelijke wastafel met warm en koud stromend water per vier begunstigden in een gemeenschappelijke of individuele kamer;
4 één wastafel met warm en koud stromend water per gezinskamer.
Er is voldoende afzonderlijk sanitair voorzien voor het personeel.
Art. 22. De kamers die zijn voorbehouden voor de begunstigden, hebben een vloeroppervlakte van minstens 4 m2 per persoon en 3 m2 per persoon in kamers die zijn uitgerust met stapelbedden voor hoogstens twee personen.
Tussen de bedden moet een afstand van minstens 80 centimeter vrijgelaten worden.
Art. 23. De kamers zijn voorzien van vensteropeningen naar buiten. In de doorloopruimten moet nachtverlichting zijn aangebracht.
Art. 24. Het tehuis beschikt over voldoende tehuishoudelijke apparaten. De keuken is zodanig ingericht dat ze geen geurhinder veroorzaakt en dat het propere en het vuile circuit gescheiden blijven; zij mag niet in verbinding staan met de ziekenboeg.
Art. 25. Het tehuis dat onderdak biedt aan meer dan dertig begunstigden beschikt over een ruimte die uitsluitend bestemd is als ziekenboeg.
Art. 26. Als het tehuis beschikt over een wasruimte, dan wordt dit lokaal zodanig ingericht dat het geen geur- of stoomhinder veroorzaakt en dat het propere en het vuile circuit gescheiden blijven. De wasruimte mag niet in verbinding staan met de ziekenboeg of de keuken.
Art. 27. De verblijfsruimten (salon, eetkamer, speelkamer) hebben een oppervlakte van minstens 2 m2 per begunstigde in een individuele kamer en van minstens 4 m2 per begunstigde in een gemeenschappelijke of gezinskamer.
In voorkomend geval mag de oppervlakte van de kamers de kleine afmetingen van de verblijfsruimten compenseren.
Art. 28. Het tehuis dat onderdak biedt aan meer dan vijf kinderen jonger dan twaalf jaar oud moet beschikken over een ruimte die specifiek is voorbehouden om te spelen.
Art. 29. Het tehuis beschikt over voldoende afzonderlijke ruimten voorbehouden voor :
1 het nachtpersoneel;
2 het personeel;
3 het beheer van het tehuis;
4 individuele gesprekken met de begunstigden.


HOOFDSTUK V. - Functionele normen
Art. 30. Het tehuis moet toegankelijk zijn volgens het hieronder vastgestelde dienstrooster.
Wanneer de in artikel 39 bedoelde personeelsformatie volledig gesubsidieerd is, moeten de begunstigden effectief opgevangen worden tijdens een periode die minstens strekt van maandag tot vrijdag, tussen 8 en 20 uur, of minstens 60 uren per week.
Wanneer de in artikel 39 bedoelde personeelsformatie niet volledig gesubsidieerd is, moeten de begunstigden effectief opgevangen worden tijdens een periode die minstens strekt van maandag tot vrijdag, tussen 8 en 18 uur, of minstens 50 uren per week.
Art. 31. Het personeel dat de opvang verzorgt, moet de taken van het tehuis uitdrukkelijk kunnen formuleren en instaan voor een eerste opvang.
Het moet onmiddellijk kunnen voorzien in een eerste analyserende of oriënterende raadpleging en in voorkomend geval de begunstigden doorverwijzen naar diensten die specifiek voor zulke doorverwijzing bevoegd zijn.
Art. 32. Buiten de vooropgestelde openingsuren moet steeds een antwoordapparaat bereikbaar zijn met nauwkeurige vermelding van de door de Franse Gemeenschapscommissie erkende of bekende diensten die specifiek bevoegd zijn voor de doorverwijzing van begunstigden, alsook eventueel van huizen die de klok rond functioneren.
In het kantoor van het personeel dat de opvang verzorgt, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht waarop de erkenning van het tehuis en de in artikel 37 van dit besluit bedoelde prijzen voor overnachting per nacht staan vermeld, samen met de volgende gegevens : het telefoonnummer met vermelding van het antwoordapparaat, de openingsuren en alle gegevens over eventuele dringende opvang en inzonderheid de gegevens van de door de Franse Gemeenschapscommissie erkende of bekende diensten die specifiek bevoegd zijn voor de doorverwijzing van begunstigden.
Art. 33. Een opvangtehuis van meer dan vijftig bedden verzorgt de klok rond een aanwezigheid.
In een opvangtehuis van minder dan vijftig bedden kan deze aanwezigheid vervangen worden door een stelsel van op te roepen wacht.
Art. 34. Voor elk lid van het team moet een dossier bijgehouden worden waarin individueel de volgende elementen zijn opgenomen :
1 een afschrift van het voor eensluidend verklaard diploma;
2 de functie;
3 het contract;
4 de anciënniteit;
5 het type prestaties;
6 het bewijs van goed zedelijk gedrag;
7 een document met de gevolgde opleidingen.
Art. 35. Minstens één keer per semester moeten de inrichtende macht en het personeel van het tehuis overleg plegen. De verslagen van deze halfjaarlijkse vergaderingen worden minstens vijf jaar bijgehouden en zijn ter beschikking van het personeel, de inrichtende macht en het bestuur.


HOOFDSTUK VI. - Financiële bijdrage
Art. 36. De begunstigde levert een financiële bijdrage aan de hotelkosten verbonden aan zijn of haar verblijf in het tehuis. Deze financiële bijdrage wordt aangerekend door het tehuis dat onderdak verleent.
Art. 37. De financiële bijdrage bedraagt ten hoogste zevenhonderd frank (17,35 Euro) per begunstigde indien de maaltijd wordt geserveerd, zonder dat het bedrag twee derde van het daginkomen mag overschrijden, en ten hoogste vierhonderd frank (9,92 Euro) in het andere geval, zonder dat het bedrag een derde van het daginkomen mag overschrijden.
In voorkomend geval rekent het tehuis aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn het verschil aan.
Art. 38. Onder inkomen van de begunstigde verstaat men het inkomen uit arbeid, vervangingsinkomens, inkomsten uit vastgoed, het bestaansminimum en sociale bijstand.


HOOFDSTUK VII. - Begeleidingsnormen
Art. 39. Op voorwaarde dat aan het tehuis voldoende subsidies worden toegekend, is de personeelsformatie van de opvangtehuizen als volgt opgebouwd :
1 basisteam :
a) een tehuis met meer dan twintig bedden beschikt over minstens één voltijds directeur, één voltijds maatschappelijk assistent en twee voltijdse opvoeders A1 of A2;
b) een tehuis met minder dan twintig bedden beschikt over minstens één voltijds directeur, één voltijds maatschappelijk assistent en één voltijds opvoeder A1 of A2.
2 bijkomende maatschappelijk assistenten :
a) een tehuis met minder dan twintig bedden dat erkend is in categorie 1 beschikt over één bijkomend voltijds maatschappelijk assistent of verpleger per volledige schijf van twintig bedden;
b) een tehuis met vijfenzeventig of meer bedden dat erkend is in categorie 1 beschikt over één bijkomend voltijds maatschappelijk assistent of verpleger per volledige schijf van vijfentwintig bedden;
c) een tehuis dat erkend is in categorie 2 en/of categorie 3 beschikt over één bijkomend voltijds maatschappelijk assistent of verpleger per volledige schijf van vijftien bedden.
3 bijkomende opvoeders :
a) een tehuis dat erkend is in categorie 1 beschikt over één bijkomend voltijds opvoeder A1 of A2 per volledige schijf van vijftien bedden;
b) een tehuis dat erkend is in categorie 2 en/of categorie 3 beschikt over één bijkomend voltijds opvoeder A1 of A2 per volledige schijf van tien bedden;
c) een tehuis dat de klok rond een aanwezigheid organiseert, beschikt over één bijkomend voltijds opvoeder A1 of A2;
d) een tehuis dat de klok rond een opvang organiseert, beschikt over één bijkomend voltijds opvoeder A1 of A2.
Art. 40. Wanneer de in artikel 39 bedoelde personeelsformatie volledig gesubsidieerd is, wordt de arbeidstijd vastgesteld op 37 uur per week.
Art. 41. In een tehuis dat erkend is in categorie 1, 2 en 3 moet de overnachtingscapaciteit in de categorieën 2 en 3 overwegen om recht te geven op de begeleiding die aan deze categorieën verbonden is.
Art. 42. De bekwaamheden van de personeelsleden die voor subsidiëring in aanmerking komen, moeten overeenstemmen met bijlage 6 bij dit besluit.
In functie van het gemeenschappelijk project van het tehuis kan de Minister afwijkingen toestaan om de bijkomende betrekkingen voor maatschappelijk assistenten en opvoeders te laten innemen door personeelsleden met een ander diploma. Deze functies worden gesubsidieerd op grond van de weddeschalen die van toepassing zijn op de maatschappelijk assistenten en de opvoeders.
Art. 43. Elk lid van het team heeft recht op bijscholing, ongeacht het geldende arbeidsstelsel. Het vermeldt met betrekking tot de bijscholingen van het team de volgende elementen in een document : aantal, duur, plaats, inhoud, naam van de deelnemers en naam van de trainers.
Art. 44. Binnen de vereniging zonder winstoogmerk mag geen enkele bezoldigde functie gecombineerd worden met een bestuursmandaat.
Art. 45. Het personeel van het tehuis is permanent onderworpen aan de verantwoordelijkheid van een personeelslid met een diploma van het hoger onderwijs, dat hiertoe werd aangesteld.


HOOFDSTUK VII. - Subsidiëring
Art. 46. Binnen de perken van de beschikbare kredieten moeten de uitgekeerde kredieten aangewend worden voor :
1 de kosten voor de bezoldiging van het personeel bedoeld in artikel 39 van dit besluit;
2 de kosten voor de bezoldiging van prestaties 's nachts, in het weekend en tijdens feestdagen voor personeel dat onontbeerlijk is voor de werking van het tehuis;
3 de bezoldiging van de op te roepen wachtdiensten;
4 de kosten voor de bijscholing van het personeel;
5 de werkingskosten.
Het tehuis stelt het bestuur ten laatste op 31 januari op de hoogte van de gemiddelde bezettingsgraad voor het afgelopen jaar, die als volgt wordt berekend :
Gemiddelde bezettingsgraad
bezettingsgraad voor de volledige 2 afgelopen jaren/2
Voor een gemiddelde bezettingsgraad gelijk aan of hoger dan 80 % bedraagt de subsidie 100 %.
Voor een bezettingsgraad tussen 70 en 79 % bedraagt de subsidie 80 %.
Voor een bezettingsgraad tussen 60 en 69 % bedraagt de subsidie 70 %.
Een bezettingsgraad lager dan 60 % leidt tot een procedure tot aanpassing van de erkenning.
De bezettingsgraad wordt uitgedrukt als percentage van het aantal bedden dat is vastgesteld in het raam van de erkende opvang.
Als een kamer voor overnachting gedeeltelijk wordt ingenomen door alleenstaande volwassenen met een kind of kinderen worden alle bedden van die kamer aanzien als bezet.
Art. 47. Een subsidie voor de bezoldigingskost dekt de loonmassa bestaande uit de bezoldiging, de sociale lasten, de bijkomende wettelijke lasten zoals omschreven in bijlage 6 van dit besluit en in voorkomend geval de vakbondspremie.
Art. 48. De subsidie voor de bijscholingskost van het team beloopt 1 % van de gesubsidieerde loonmassa bedoeld in artikel 46, punt 1.
Art. 49. De subsidie voor de werkingskosten wordt geplafonneerd op 10 % van het bedrag dat is toegestaan voor de bezoldigingskost.
Bij de berekening van deze subsidie wordt rekening gehouden met de personeelsleden die niet door de Franse Gemeenschapscommissie gesubsidieerd worden, maar deel uitmaken van de personeelsformatie bedoeld in artikel 39.
De uitgaven die binnen de werkingskosten zijn toegestaan, zijn de kosten die worden opgetekend in de boekhoudkundige rubrieken vastgesteld bij bijlage 5 van dit besluit, na aftrek van de terugbetalingen en de opbrengsten die hieraan verbonden zijn.
Art. 50. Het tehuis voert overeenkomstig de beginselen vervat in de wet van 17 juli 1975 een boekhouding op grond van het minimum genormaliseerd boekhoudplan van het Koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekening van de ondernemingen.
Het bestuur staat in voor de boekhoudkundige inspectie van de erkende huizen.
Art. 51. Als een tehuis omwille van zijn specifiek educatief project en van het gemeenschappelijk project meent dat het niet dient te beschikken over het personeel bedoeld in artikel 39 van dit besluit, dan kan het bij de bevoegde Minister een verzoek tot afwijking indienen op grond van een volledig dossier, waardoor een deel van de subsidie die wordt uitgekeerd met het oog op de bezoldiging van het personeel, bestemd kan worden voor de werking van het tehuis.
Het tehuis dat van deze maatregel gebruik maakt, kan de subsidies bedoeld in artikel 46, 2 en 3 niet aanvragen.
Art. 52. De Minister legt het verzoek om afwijking samen met het dossier voor aan de Adviesraad, die binnen drie maanden na deze aanhangigmaking advies uitbrengt.
Het College oordeelt over het verzoek om afwijking en deelt zijn beslissing ten laatste twee maanden na het advies van de Adviesraad aan het tehuis mee.
De beslissing van het College wordt met bijzondere redenen omkleed als zij niet overeenstemt met het advies van de Adviesraad.
Art. 53. De afwijking geldt voor de duur van de erkenning.
Art. 54. De in artikel 37 vermelde bedragen en de in de artikelen 46 tot 49 bedoelde subsidies kunnen herzien worden en zijn gebonden aan de gezondheidsindex met referentie december 1998.
Vanaf 1 januari 2000 worden de in artikel 37 vermelde bedragen ieder jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 houdende uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, hierna de gezondheidsindex genoemd, volgens de formule :
Basisbedrag x de gezondheidsindex van december van het voorgaande jaar/Gezondheidsindex van december 1998
De subsidies bestemd voor de bezoldigingskost worden geïndexeerd volgens de regels van toepassing op de bezoldigingen in het openbaar ambt.


HOOFDSTUK VIII. - Intrekkingsbepaling
Art. 55. Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 11 oktober 1983 tot vaststelling van de erkennings- en betoelagingsvoorwaarden van opvangcentra voor volwassenen met moeilijkheden en het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 4 mei 1995 betreffende de subsidiëring van de opvangcentra voor volwassenen worden ingetrokken.


HOOFDSTUK IX. - Overgangsmaatregelen en inwerkingtreding
Art. 56. Aan personeelsleden die bij de inwerkingtreding van dit besluit in dienst zijn en niet beschikken over de in bijlage 6 bedoelde kwalificaties staat de Minister een afwijking toe.
Art. 57. Tijdens een twee jaar durende overgangsperiode die ingaat bij de inwerkingtreding van dit besluit mogen de voor het jaar 2000 aan het tehuis toegekende bedragen in geen geval afnemen als gevolg van de berekeningswijze van de subsidies.
Een bestaand tehuis beschikt bij de inwerkingtreding van dit besluit over twee jaar om zich in regel te stellen met de in hoofdstuk IV gestelde voorwaarden.
Art. 58. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2000, behoudens artikel 4, 7 en 8, dat in werking treedt op de door het College vastgestelde dag.
Art. 59. Het Lid van het College bevoegd voor Sociale Actie en Gezin wordt belast met de uitvoering van dit besluit.


Brussel, 20 juli 2000.
Door het College van de Franse Gemeenschapscommissie :
E. TOMAS,
Voorzitter van het College.
A. HUTCHINSON,
Lid van het College bevoegd voor Sociale Actie, Gezin en Begroting.

Bijlagen
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Bijlage 1-5 zie beeld

Bijlage 6

I. Lijst met kwalificaties van het personeel in het opvangtehuis

1.

Directie

 

 

Directeur

Universitair diploma of diploma van het hoger onderwijs van het korte type, met minstens drie jaar anciënniteit in de sector

2.

Begeleidend personeel

 

2.1.

Opvoeder klasse I

Diploma van gespecialiseerd opvoeder

Diploma of attest van het hoger onderwijs inzake pedagogie, psychologie, sociale of paramedische studies

2.2.

Opvoeder klasse II

Kinderverzorgster
Diploma of attest voor het volbrengen van hogere secundaire studies in het technisch, beroeps- of algemeen onderwijs.

2.3.

Hulpkracht, kinderverzorgster, gezins-en sanitair helper

Getuigschrift of attest van een verzorgings- of welzijnsrichting

2.4.

Maatschappelijk assistent
Assistent-psycholoog
Gegradueerd verpleger

Diploma dat toegang verleent tot één van deze beroepen

 

II. Erkende anciënniteit, wettelijke lasten, bezoldigingen en weddeschalen, subsidieerbare lonen

zie beeld


Gezien om te worden aangehecht aan het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 juli 2000 houdende toepassing van het decreet van 27 mei 1999 betreffende de toekenning van de erkenning en van subsidies aan de opvangtehuizen.
Brussel, 20 juli 2000.
Door het College :
E. TOMAS,
Voorzitter van het College.
A. HUTCHINSON,
Lid van het College, bevoegd voor Sociale Actie, Gezin en Begroting.

 


Publicatie : 2000-10-11

KlinPsy - Wetgeving