FRANSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

8 JUNI 2000. - Besluit 99/262/D van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de erkenning van de centra voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie en van de diensten voor pedagogische begeleiding en de erkenning en subsidiëring van de centra voor revalidatie



Het College,
Gelet op de artikelen 138 en 178 van de Grondwet;
Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 betreffende de hervorming der instellingen, inzonderheid artikel 83, 3, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
Gelet op decreet II van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, inzonderheid artikel 4, 1;
Gelet op decreet III van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 juli 1993 tot toekenning van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie, inzonderheid artikel 4, 1;
Gelet op het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 4 maart 1999 betreffende de sociale integratie van gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces, inzonderheid de artikelen 19, 20, 36, 37 en 38;
Gelet op het advies van de Afdeling Gehandicapten van de Franstalige Brusselse Adviesraad voor Bijstand aan Personen en Gezondheid, van 5 maart 1999;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, van 5 juni 2000;
Gelet op het akkoord van het Collegelid belast met Begroting, gegeven op 1 april 1999;
Gelet op de beraadslaging van het College van 27 mei 1999 omtrent het verzoek om een advies van de Raad van State binnen een termijn van maximaal een maand;
Gelet op het advies van de Raad van State, overeenkomstig artikel 84, lid 1, 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voorstel van het Collegelid belast met Gehandicaptenbeleid,
Besluit :


HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Dit besluit regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 128 van de Grondwet krachtens artikel 138 van de Grondwet.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :
decreet : decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 4 maart 1999 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces;
bestuur : de dienst met afzonderlijk beheer tot uitvoering van het beleid inzake de sociale integratie en inschakeling in het arbeidsleven van mindervaliden, opgericht bij decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 december 1998, onder de naam Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden ;
gehandicapte : iedere gehandicapte die woonachtig is op het grondgebied van het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest en die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 van het decreet; niettemin kunnen uit hoofde van artikel 2 van het decreet de door het College erkende centra en diensten ook personen opvangen die woonachtig zijn op het grondgebied van een ander gewest;
pluridisciplinaire equipe : het orgaan ingesteld bij artikel 10 van het decreet;
globaal proces : het globaal proces voor de sociale integratie van gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces ingesteld in overleg met de gehandicapte, zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet;
Collegelid : het Collegelid van de Franse Gemeenschapscommissie dat belast is met het Gehandicaptenbeleid.


HOOFDSTUK II. - De centra voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie
Art. 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder centrum : een centrum voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie.
Art. 4. Om te worden erkend moet een centrum dat de taken vervult gedefinieerd in artikel 18 van het decreet en dat is opgericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 20 van het decreet, aan de volgende voorwaarden voldoen :
1 de zetel van zijn activiteiten vestigen op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2 zich houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke en reglementaire bepalingen waaraan het centrum is onderworpen;
3 beschikken over lokalen waarvan het gebruik voorbehouden is voor het centrum tijdens de spreekuren en die toegankelijk zijn voor de gehandicapten van de categorie waarvoor het centrum erkend is;
4 beschikken over de nodige uitrusting voor een volledig onderzoek van de gehandicapten, onder meer een reeks passende tests naar gelang de categorie van gehandicapten tot wie het centrum zich richt;
5 beschikken over een pluridisciplinaire equipe voor beroepsoriëntatie;
6 zich verzekeren van de medewerking van een erkend revalidatiecentrum of van een geneesheer-specialist in revalidatie voor de categorie van gehandicapten tot wie het centrum zich richt;
7 zich verzekeren van de medewerking van een arbeidsgeneesheer;
8 een dossier bijhouden voor elke begunstigde;
9 zich onderwerpen aan de door het bestuur georganiseerde beoordelingen, inspecties en controles en aan het bestuur alle voor de uitoefening van zijn controle vereiste bewijsdocumenten voorleggen;
10 jaarlijks aan het bestuur een activiteitenverslag bezorgen, opgemaakt volgens het door het bestuur bepaalde model en dat ten minste het verrichte aantal oriëntatieonderzoeken en hun type vermeldt;
11 houden van een boekhouding per kalenderjaar overeenkomstig het door het Collegelid bepaalde model;
12 zich ertoe verbinden het bestuur binnen vijftien dagen in kennis te stellen van iedere verandering in de voorwaarden van zijn erkenning en zijn subsidiëring.
Art. 5. De pluridisciplinaire equipe voor beroepsoriëntatie bedoeld in artikel 4, 5 is samengesteld uit ten minste een psycholoog, een maatschappelijk assistent en een met het secretariaat belast personeelslid.
De directeur van het centrum en de psychologen die de oriëntatieonderzoeken verrichten moeten de titel van psycholoog hebben overeenkomstig de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog.
Art. 6. Elk centrum kan worden erkend voor het onderzoek van gehandicapten die lijden aan een deficiëntie van een of meer van de volgende categorieën :
1 gezichtsdeficiëntie;
2 gehoordeficiëntie;
3 verstandelijke of psychische deficiëntie;
4 fysieke deficiëntie;
5 neurologische deficiëntie;
6 taaldeficiëntie.
Elk centrum kan worden erkend voor het onderzoek van gehandicapten van een of meer van de volgende categorieën :
1 kinderen;
2 adolescenten;
3 volwassenen.
Art. 7. De erkenningsaanvraag moet bij een ter post aangetekende brief worden gericht aan het bestuur overeenkomstig het daartoe bestemde model. Het bestuur bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen tien dagen.
De aanvraag moet de volgende documenten en inlichtingen bevatten :
1 een afschrift van de statuten van de v.z.w. zoals ze zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad, samen met de eventuele wijzigingen eraan alsook de lijst van de leden van de raad van bestuur of het attest van de universiteit waarvan het centrum afhangt;
2 de naam van het centrum en het adres van de maatschappelijke zetel en van de activiteitenzetel;
3 de beschrijving van de huidige of geplande activiteiten, de deficiëntiecategorie of -categorieën waaronder de gehandicapten vallen die het centrum wil onderzoeken, de leeftijdscategorie of -categorieën waarop het centrum zich wil richten, de beschrijving van de middelen die het zal aanwenden om zijn taken te vervullen en de gewenste datum van inwerkingtreding van de aangevraagde erkenning;
4 de naam van de verantwoordelijke voor het dagelijks beheer die door de organiserende macht is afgevaardigd om het centrum te vertegenwoordigen;
5 een kopie van de plannen van de gebruikte gebouwen, waarop de bestemming en de oppervlakte van de lokalen is weergegeven;
6 het verslag van de gewestelijke brandweerdienst daterend van minder dan drie jaar geleden;
7 de personeelslijst van het centrum met opgave van kwalificatie, functie, arbeidsuren of in voorkomend geval, het wervingsplan van personeel;
8 voor elk van deze personeelsleden, een kopie van de arbeidsovereenkomst die hen verbindt met het centrum en ieder bewijs dat ze voldoen aan de in het besluit bepaalde voorwaarden betreffende hun functie;
9 voor elk van deze personeelsleden, een getuigschrift van goed gedrag en zeden dat niet langer dan drie maanden geleden uitgereikt mag zijn;
10 een kopie van het verzekeringscontract tot dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid ten aanzien van de opgevangen gehandicapten;
11 de lijst van de uitrusting waarover het centrum beschikt of die het schikt aan te schaffen;
12 het arbeidsreglement;
13 de overeenkomsten gesloten met een arbeidsgeneesheer en met een centrum voor revalidatie of een in revalidatie gespecialiseerd geneesheer.
Art. 8. Is de erkenningsaanvraag onvolledig, dan stelt het bestuur de aanvrager daarvan in kennis. De aanvrager heeft drie maanden de tijd om zijn aanvraag te vervolledigen. Zo niet wordt de aanvraag als nietig beschouwd.
Art. 9. Is de erkenningsaanvraag volledig, dan neemt het bestuur ze in behandeling en regelt een inspectiebezoek om na te gaan of het centrum voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.
Het bestuur overhandigt de aanvraag aan het Collegelid, vergezeld van een beslissingsvoorstel. Het Collegelid legt dit voorstel voor aan de Brusselse Franstalige Adviesraad voor Bijstand aan Personen en Gezondheid. Hij preciseert de voor het advies toegekende termijn.
Binnen dertig dagen volgend op het advies van de Adviesraad, legt het bestuur het voorstel samen met dit advies voor aan het Collegelid.
De beslissing van het College wordt door het bestuur bekendgemaakt aan de aanvrager.
Art. 10. Het College verleent de erkenning voor een duur van vijf jaar die niet eerder kan aanvangen dan de datum van ontvangst van de aanvraag. Deze duur is hernieuwbaar.
In de erkenningsbeslissing worden de deficiëntiecategorie of -categorieën gepreciseerd waaronder de gehandicapten vallen die kunnen worden onderzocht en de leeftijdscategorie of -categorieën van de gehandicapten tot wie het centrum zich richt.
Art. 11. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning van het centrum wordt ingediend bij het bestuur uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de periode gedekt door de vorige erkenningsbeslissing.
Het centrum blijft erkend totdat het College beslist heeft over de hernieuwingsaanvraag.
De in het oorspronkelijke dossier opgenomen documenten moeten niet bij de hernieuwingsaanvraag worden gevoegd, voor zover zij nog altijd getrouw de situatie weerspiegelen op de datum van de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning.
Art. 12. Elke aanvraag tot wijziging van de erkenning door het centrum wordt gericht aan het bestuur. Deze aanvraag preciseert en motiveert het doel van de wijziging.
Het bestuur stelt het centrum in kennis van de nodige elementen voor het onderzoek van de aanvraag.
Deze aanvraag wordt in behandeling genomen en er wordt over beslist volgens de regels die gelden voor de aanvraag tot erkenning.
Art. 13. Het centrum dat niet langer voldoet aan een van de erkenningsvoorwaarden, wordt daarvan op de hoogte gebracht door het bestuur en verzocht om de situatie in orde te brengen.
Art. 14. Wanneer niet is voldaan aan die voorwaarde binnen een termijn van twee maanden, stuurt het bestuur bij aangetekende brief een gemotiveerde aanmaning naar het centrum.
Stelt het bestuur na het verstrijken van een maand vast dat nog altijd niet is voldaan aan de erkenningvoorwaarden, dan richt ze een voorstel tot instelling van de procedure tot opschorting of intrekking van de erkenning aan het Collegelid. Dit voorstel houdt rekening met de situatie van het personeel en van de gehandicapten.
Keurt het Collegelid dit voorstel goed, dan stelt het bestuur het centrum hiervan in kennis bij aangetekende brief. Het centrum heeft dertig dagen de tijd om een memorie in te dienen en, op zijn verzoek, gehoord te worden door het bestuur, dat de dag en uur van de hoorzitting vaststelt.
Het bestuur overhandigt binnen dertig dagen volgend op de hoorzitting, een voorstel van behoud, opschorting of intrekking van de erkenning aan het Collegelid. Het Collegelid vraagt het advies van de Brusselse Franstalige Adviesraad voor Bijstand aan Personen en Gezondheid, te verlenen binnen de drie maanden.
Het bestuur bezorgt binnen de dertig dagen volgend op het advies van de Adviesraad het voorstel samen met dit advies aan het Collegelid. Het College beslist binnen twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst van dit advies.
De beslissing van het College wordt door het bestuur bekendgemaakt bij aangetekende brief.
Art. 15. Het bestuur deelt de beslissing tot opschorting of intrekking van de erkenning onmiddellijk mee aan het personeel van de dienst en aan hun vakbondsafgevaardigden.
Art. 16. Een volledig gespecialiseerd oriëntatieonderzoek omvat :
1 de anamnese van de socio-professionele achtergrond en schoolverleden;
2 een onderzoek van de verstandelijke vermogens (algemene intelligentie, mondelinge informatie, rekenvaardigheid, logisch denkvermogen, ruimtelijke oriëntatie, technisch begrip, concentratievermogen, geheugen);
3 een onderzoek van de behendigheid, de motoriek en de lateraliteit;
4 een onderzoek van de psychomotorische vaardigheden (reacties, werkritme, uitvoering, methodiek, zin voor organisatie);
5 de meting van de pedagogische verworvenheden;
6 de beoordeling van de persoonlijkheids- en gedragsfactoren, eventueel met behulp van projectietests;
7 de beoordeling van het aanpassingsvermogen (familiaal en sociaal milieu, motivatie, zelfstandigheid, manier waarop de handicap wordt ervaren);
8 de beoordeling van de professionele interesses;
9 het kritisch onderzoek van het plan van de betrokkene;
10 een medisch onderzoek dat bestaat uit :
a) een volledig algemeen onderzoek, een neuro-psychomotorisch onderzoek, oogonderzoek, onderzoek van gehoor en stem, van de functionele stelsels.
Die onderzoeken worden uitgevoerd, hetzij in een revalidatiecentrum waarmee het centrum een overeenkomst heeft gesloten, hetzij in het centrum zelf;
b) conclusies omtrent de diagnose, de behandeling en de prothesen, over de indicaties en contra-indicaties in het licht van de deficiënties en de vaardigheden van de aanvrager en van de eisen van de beschouwde integratie, in voorkomend geval omtrent de aanpassing van de woning en de werkpost.
Voor elke gehandicapte geeft het bestuur aan het centrum aan welke delen van het onderzoek moeten worden verricht.
Art. 17. Het bestuur maakt de lijst van de door het College erkende centra bekend aan de personen die door de pluridisciplinaire equipe worden uitgenodigd om een gespecialiseerd oriëntatieonderzoek te ondergaan.
Art. 18. Het bestuur bezorgt aan het door de gehandicapte gekozen centrum de nuttige gegevens die zijn ingezameld in het kader van de toelating van de gehandicapte om te genieten van de bepalingen van het decreet of de instelling van zijn globaal proces.
De medische gegevens worden overgemaakt aan de met het centrum verbonden geneesheer. De andere gegevens worden overgemaakt aan de psycholoog die het centrum leidt.
Art. 19. Het verslag van het door het centrum verrichte gespecialiseerde oriëntatieonderzoek wordt overgemaakt aan het bestuur binnen ten hoogste 30 dagen na de datum van het onderzoek.
Het centrum bezorgt tezelfdertijd schriftelijk de besluiten van het onderzoek aan de gehandicapte in een aangepaste en begrijpelijke vorm.
Art. 20. De door de centra verrichte oriëntatieonderzoeken geven recht op een tussenkomst van het bestuur, waarvan het bedrag gepreciseerd is in bijlage.
Deze tussenkomst is maar verschuldigd indien het verslag is overgemaakt aan het bestuur en aan de gehandicapte volgens de voorwaarden bepaald in artikel 16 en 19.


HOOFDSTUK III. - De diensten voor pedagogische begeleiding
Art. 21. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder dienst : een dienst voor pedagogische begeleiding van gehandicapten die studeren of een beroepsopleiding volgen.
Art. 22. Om te worden erkend moet een dienst die de taken vervult gedefinieerd in artikel 43 van het decreet en die is opgericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 42 van het decreet, aan de volgende voorwaarden voldoen :
1 de zetel van zijn activiteiten vestigen op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2 zich houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke en reglementaire bepalingen waaraan hij is onderworpen;
3 de toegankelijkheid van de gebouwen verzekeren, rekening houdend met de handicap van de opgevangen personen;
4 instaan voor de pedagogische omkadering en de psychologisch-pedagogische begeleiding;
5 geïndividualiseerde bijstand verlenen;
6 een dossier bijhouden voor elke begunstigde;
7 beschikken over een equipe voor pedagogische omkadering en psychologisch-pedagogische begeleiding;
8 zich ertoe verbinden effectief samen te werken met een of meerdere gespecialiseerde organismen op het gebied van de deficiëntie of deficiënties van de gehandicapten tot wie de dienst zich wil richten;
9 het begeleidend personeel ten minste een maal per maand verenigen om de activiteiten te coördineren en een verslag opmaken van die vergaderingen;
10 een register bijhouden van de activiteiten van elk personeelslid;
11 zich onderwerpen aan de door het bestuur georganiseerde beoordelingen, inspecties en controles en aan het bestuur alle voor de uitoefening van zijn controle vereiste bewijsdocumenten voorleggen;
12 jaarlijks aan het bestuur een activiteitenverslag voorleggen dat is opgesteld volgens het door het bestuur vastgestelde model en dat ten minste het volgende bevat :
a) het aantal ten laste genomen gehandicapten, met vermelding van de datum van tenlasteneming, de leeftijd en de gemeente waar de gehandicapte woonachtig is;
b) de aard van de aanvragen, de activiteitensectoren en de beoordeling van de behaalde resultaten;
13 houden van een boekhouding per kalenderjaar overeenkomstig het door het Collegelid bepaalde model;
14 zich ertoe verbinden het bestuur binnen vijftien dagen in kennis te stellen van iedere verandering in de voorwaarden van zijn erkenning en zijn subsidiëring.
Art. 23. De pedagogische omkadering en de psychologisch-pedagogische begeleiding bedoeld in artikel 22, 4, moeten plaatshebben buiten de les- of opleidingsuren, behalve wanneer het gaat om prestaties van vertolking in gebarentaal of andere communicatiehulpmiddelen.
Art. 24. De geïndividualiseerde bijstand bedoeld in artikel 22, 5 maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst tussen de dienst en de gehandicapte. Hierin wordt rekening gehouden met de aanvraag en met de vaardigheden van de gehandicapte. De overeenkomst vermeldt :
1 de verleende bijstand;
2 de voorwaarden van tussenkomst van het bestuur overeenkomstig de bepalingen van bijlage 1 bij het besluit van 25 februari 2000 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de individuele bepalingen van de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden voor de sociale integratie van gehandicapte personen en hun inschakeling in het arbeidsproces.
Art. 25. Het dossier bedoeld in artikel 22, 6 omvat :
1 de door de gehandicapte ingediende aanvraag om pedagogische begeleiding;
2 de met de gehandicapte gesloten overeenkomst;
3 de ten gunste van de gehandicapte verrichte prestaties.
Art. 26. De equipe bedoeld in artikel 22, 7 is samengesteld uit :
1 voor de psychologisch-pedagogische begeleiding :
personen met een diploma van het hoger pedagogisch, psychologisch of sociaal onderwijs;
2 voor de pedagogische omkadering :
houders van een diploma of studenten die al eerder de kennis hebben verworven die wordt aangeleerd door de betrokken student of stagiaire of door een tolk opgenomen op de lijst opgesteld door een dienst voor doventolken die is goedgekeurd door de Franse Gemeenschapscommissie.
Art. 27. Elke dienst kan worden erkend voor de pedagogische begeleiding van gehandicapten :
1 die lijden aan een deficiëntie die aanzienlijke problemen meebrengt die niet voldoende kunnen worden gecompenseerd, van een of meerdere van de volgende categorieën :
a) gezichtsdeficiëntie,
b) gehoordeficiëntie,
c) hersenletsel of letsel van het centraal zenuwstelsel, eventueel gepaard met een motorische handicap van de bovenste ledematen,
2 en die :
a) hetzij hogere, al dan niet universitaire studies volgen, erkend door een van de drie Gemeenschappen;
b) hetzij een beroepsopleiding volgen die georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door een Belgische overheidsinstantie.
Art. 28. De erkenningsaanvraag moet bij een ter post aangetekende brief worden gericht aan het bestuur overeenkomstig het daartoe bestemde model. Het bestuur bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen tien dagen.
De aanvraag moet de volgende documenten en inlichtingen bevatten :
1 een afschrift van de statuten van de v.z.w. zoals ze zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad, samen met de eventuele wijzigingen eraan alsook de lijst van de leden van de raad van bestuur of het attest van de universiteit waarvan het centrum afhangt;
2 de naam van de dienst, het adres van zijn maatschappelijke zetel en activiteitenzetel;
3 de beschrijving van de huidige of geplande activiteiten, de deficiëntiecategorie of -categorieën waaronder de gehandicapten vallen die de dienst wil begeleiden, de beschrijving van de middelen die de dienst zal aanwenden om deze taken te vervullen en de datum van inwerkingtreding van de gevraagde erkenning;
4 de naam van de verantwoordelijke voor het dagelijks beheer die door de organiserende macht is afgevaardigd om de dienst te vertegenwoordigen;
5 een kopie van de plannen van de gebruikte gebouwen, waarop de bestemming en de oppervlakte van de lokalen is weergegeven;
6 het rapport van de gewestelijke brandweerdienst daterend van minder dan drie jaar geleden;
7 de personeelslijst van de dienst met opgave van kwalificatie, functie, arbeidsuren of in voorkomend geval, het wervingsplan van personeel;
8 voor elk van deze personeelsleden, een kopie van de arbeidsovereenkomst die hen verbindt met de dienst en ieder bewijs dat ze voldoen aan de in het besluit bepaalde voorwaarden betreffende hun functie;
9 voor elk van deze personeelsleden, een getuigschrift van goed gedrag en zeden dat niet langer dan drie maanden geleden uitgereikt mag zijn;
10 de lijst van uitrusting waarover de dienst beschikt of die hij schikt aan te schaffen;
11 het arbeidsreglement;
12 de met de instellingen gesloten overeenkomsten met het oog op de uitvoering van de taken van de dienst.
Art. 29. Voor het overige worden de aanvragen tot erkenning, wijziging of hernieuwing van de erkenning ingediend en behandeld volgens de procedure bepaald in de artikelen 8, 9, 11 en 12.
Art. 30. Het College verleent de erkenning voor een duur van vijf jaar die niet eerder kan aanvangen dan de datum van ontvangst van de aanvraag.
Deze duur is hernieuwbaar.
Art. 31. Wanneer het bestuur vaststelt dat de dienst niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, volgt het de procedure bepaald in de artikelen 13 tot 15.


HOOFDSTUK IV. - De centra voor revalidatie
Art. 32. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder centrum : een centrum voor revalidatie.
Afdeling 1. - Erkenning
Art. 33. Om te worden erkend moet een centrum dat de taken vervult gedefinieerd in artikel 40 van het decreet en dat is opgericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 39 van het decreet, aan de volgende voorwaarden voldoen :
1 de zetel van zijn activiteiten vestigen op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2 zich houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke en reglementaire bepalingen waaraan het is onderworpen;
3 de toegankelijkheid van de gebouwen verzekeren, rekening houdend met de handicap van de opgevangen personen;
4 een medische eenheid vormen die speciaal geschikt is voor het nagestreefde doel, onder effectieve medische leiding van een geneesheer die is erkend als revalidatiespecialist en die de verantwoordelijkheid draagt voor de coördinatie en de uitvoering van een individueel aangepast revalidatieprogramma;
5 instaan voor :
a) het stellen van een basisdiagnose;
b) de nodige psychologische onderzoeken;
c) de revalidatieprestaties, aangepast aan de handicap van de opgevangen personen, met name kinesitherapie, motorische, psychomotorische of sensoriële revalidatie, logopedie, psychotherapie, ergotherapie, audiologie, sportactiviteiten, heraanpassing aan de sociale omgang en het dagelijkse leven;
d) de levering, de aanpassing en het onderhoud van prothesen of geschikte technische hulpmiddelen, eventueel door middel van dienstenovereenkomsten;
e) de regelmatige bepaling van de stand van zaken;
f) gepaste sociale bijstand naar gelang de behoeften van de opgevangen persoon;
6 zorgen voor de gespecialiseerde beroepsoriëntatie, eventueel door een overeenkomst met een centrum voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie, erkend door de Franse Gemeenschapscommissie;
7 beschikken over erkende geneesheren, gespecialiseerd naar gelang de handicap van de door het centrum opgevangen personen;
8 beschikken over gekwalificeerd paramedisch en maatschappelijk personeel, rekening houdend met de handicap van de door het centrum opgevangen personen, in voldoende aantal om de in punt 4 en 5 beschreven taken te vervullen;
9 zijn werking organiseren in multidisciplinaire equipes;
10 zorgen voor de permanente educatie van het personeel in het licht van zijn activiteiten;
11 samenwerken met de opgevangen persoon, zijn familie en alle nuttige bevoegde diensten;
12 beschikken over beheers-, technische, administratieve en budgettaire autonomie zodat het zijn taken kan vervullen;
13 zich onderwerpen aan de door het bestuur georganiseerde beoordelingen, bezoeken en controles en aan het bestuur alle voor de uitoefening van zijn controle vereiste bewijsdocumenten voorleggen;
14 het houden van een boekhouding per kalenderjaar overeenkomstig het door het Collegelid bepaalde model.
15 aan het bestuur een jaarlijks activiteitenverslag bezorgen dat ten minste de volgende gegevens vermeldt :
a) het aantal ten laste genomen gehandicapten met vermelding van de datum van tenlasteneming, de leeftijd en de gemeente waar de gehandicapte woonachtig is;
b) de aard van de aanvragen en de evolutie van de behaalde resultaten;
c) de gebruikte revalidatietechnieken.
In dit verslag zijn alle activiteiten van het jaar globaal opgenomen op anonieme en niet-geïndividualiseerde manier.
16 zich ertoe verbinden het bestuur binnen vijftien dagen in kennis te stellen van iedere verandering in de voorwaarden van zijn erkenning en zijn subsidiëring.
Art. 34. De erkenningsaanvraag moet bij een ter post aangetekende brief worden gericht aan het bestuur overeenkomstig het daartoe bestemde model. Het bestuur bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen tien dagen.
De aanvraag moet de volgende documenten en inlichtingen bevatten :
1 een afschrift van de statuten van de v.z.w. zoals ze zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad of van het ziekenhuis, samen met de eventuele wijzigingen eraan, alsook de lijst met de leden van de raad van bestuur;
2 de naam van het centrum en het adres van de maatschappelijke zetel en van de activiteitenzetels;
3 de beschrijving van de huidige of geplande activiteiten, de taken die het centrum wil vervullen, de deficiëntiecategorie of -categorieën waaronder de gehandicapten vallen die het centrum wil opvangen voor revalidatie;
4 de naam van de geneesheer-directeur en van de verantwoordelijke voor het dagelijks beheer die door de organiserende macht is afgevaardigd om het centrum te vertegenwoordigen;
5 de overeenkomst met het Verzekeringscomité voor de geneeskundige verzorging opgericht bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, dat bevoegd is voor de tenlasteneming van de verstrekkingskosten voor de revalidatie.
6 een kopie van de plannen van de gebruikte gebouwen waarop de bestemming en de oppervlakte van de lokalen is weergegeven;
7 het rapport van de gewestelijke brandweerdienst daterend van minder dan drie jaar geleden;
8 het huishoudelijk reglement van het centrum;
9 de personeelslijst van het centrum met opgave van kwalificatie, functie, arbeidsuren of in voorkomend geval, het wervingsplan van personeel;
10 voor elk van deze personeelsleden, een kopie van de arbeidsovereenkomst die hen verbindt met het centrum en ieder bewijs dat ze voldoen aan de in het besluit bepaalde voorwaarden betreffende hun functie;
11 voor elk van deze personeelsleden, een getuigschrift van goed gedrag en zeden dat niet langer dan drie maanden geleden uitgereikt mag zijn;
12 een kopie van het verzekeringscontract tot dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid ten aanzien van de opgevangen gehandicapten.
Art. 35. Voor het overige worden de aanvragen tot erkenning, wijziging of hernieuwing van de erkenning ingediend en behandeld volgens de procedure bepaald in de artikelen 8, 9, 11 en 12.
Art. 36. De erkenningsbeslissing van het College preciseert de deficiëntie of deficiënties van de personen die het centrum mag opvangen voor revalidatie, in het bijzonder rekening houdend met de overeenkomst waarvan sprake in artikel 34, 5.
Art. 37. Wanneer het bestuur vaststelt dat de dienst niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, volgt het de procedure bepaald in de artikelen 13 tot 15.
Afdeling 2. - Subsidiëring
Onderafdeling 1. - Werkingssubsidies
Art. 38. De aan de centra toegekende werkingssubsidies hebben betrekking op :
1 de paramedische equipe en het hulppersoneel belast met de revalidatie;
2 de opleiding van het personeel;
3 de verspreiding van de informatie betreffende de opdrachten en tussenkomsten voorzien door de Franse Gemeenschapscommissie met het oog op de integratie van gehandicapten.
Art. 39. De werkingssubsidies worden toegekend per kalenderkwartaal op basis van het tewerkgestelde personeel, de gegeven opleiding en de verspreide informatie in de loop van het vorige kwartaal.
Art. 40. De volgende driemaandelijkse subsidie kan worden toegekend per voltijds personeelequivalent, ongeacht het sociale statuut van de werknemers :
1 per psycholoog, pedagoog, orthopedagoog, logopedist, kinesitherapeut, fonetisch taalkundige, socioloog, allen van universitair niveau,
14 000 frank
2 per kinesitherapeut, specialist in psychomotorische revalidatie, logopedist, audioloog, orthopedist, ergotherapeut, maatschappelijk assistent, maatschappelijk verpleger, assistent psychologie, prothesemaker, audiometrist, opvoeder, allen van niveau A1,
12 000 frank
3 per kinderverzorgster, opvoeder, sportleider, groepsleider, kunstenaar allen van niveau A2,
10 000 frank
Het Collegelid bepaalt de afwezigheidsperiodes die kunnen worden gelijkgesteld met prestaties.
Art. 41. Er wordt een driemaandelijkse subsidie van 20 000 frank per centrum toegekend voor de opleidingen gegeven aan de personeelsleden door een of meerdere personen van buiten het centrum, zonder dat deze subsidie de reële kosten van de opleidingen mag overschrijden.
Art. 42. Er wordt een forfaitaire driemaandelijkse subsidie van 10.000 frank toegekend aan het centrum dat zorgt voor de verspreiding van de informatie betreffende de opdrachten en tussenkomsten voorzien door de Franse Gemeenschapscommissie met het oog op de integratie van de gehandicapten.
Art. 43. Het bestuur bepaalt het model van de driemaandelijkse aangifte die de centra hem moeten bezorgen ten laatste tegen het eind van de eerste maand van het trimester volgend op dat waarvoor de subsidie wordt gevraagd.
Op verzoek van het bestuur voegen de centra er de bewijzen bij van indienstneming van het ingezette personeel, van de verrichte informatie-activiteiten en van de kosten aangegaan voor de opleiding van het personeel.
Het bestuur controleert de bewijsdocumenten. Het legt het bedrag van de driemaandelijkse tussenkomst vast in een enkel besluit voor alle centra samen.
Onderafdeling 2. - Investeringssubsidies
Art. 44. Het bestuur kent aan de centra subsidies toe voor investeringen in technische medische en paramedische uitrusting.
Art. 45. De aanvragen van investeringssubsidies moeten aan het bestuur worden gericht bij aangetekende brief ten laatste op 15 februari van het referentiejaar waarvoor de subsidie wordt gevraagd.
Art. 46. De subsidie-aanvraag omvat :
1 het bewijs van de aankoop verricht tijdens het jaar dat aan het referentiejaar van de aanvraag voorafgaat;
2 de kopie van het verzekeringscontract tot dekking van de gesubsidieerde goederen tegen brand en aanverwante risico's;
3 voor elke uitrusting, de factuur en de offertes van twee andere leveranciers; bij ontstentenis van deze offertes, wordt dit door het centrum gerechtvaardigd;
4 voor de voorgestelde uitrusting, een verklaring dat het in perfecte staat is geleverd.
Art. 47. Het bedrag van de toegekende investeringssubsidie is gelijk aan 60 % van de prijs excl. BTW van de door het bestuur als nodig erkende investering.
Art. 48. Voor de investeringssubsidie geldt een jaarlijks plafond van 30.000 frank per voltijds personeelequivalent in aanmerking genomen krachtens artikel 40 in de loop van het kwartaal voorafgaand aan de uiterste datum voor de aanvraag van de investeringssubsidie.
Indien de aanvraag van het centrum minder bedraagt dan dit plafond of indien het centrum deze subsidie niet heeft aangevraagd, kan het het saldo of het totale bedrag overdragen naar de twee volgende referentiejaren.
Het bestuur legt het bedrag van de jaarlijkse subsidie voor aan het Collegelid in een enkel besluit.
Art. 49. Bij niet-handhaving van de bestemming van de subsidie vóór het verstrijken van de in de beslissing van het Collegelid vastgestelde afschrijvingstermijn, is het centrum gehouden tot terugbetaling van een som gelijk aan het niet afgeschreven deel van de subsidie. Bij verkoop na het verstrijken van de afschrijvingstermijn, is het centrum gehouden tot terugbetaling van 40 % van de verkoopprijs.
Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 50. Wanneer het bestuur vaststelt dat de door het centrum verkregen subsidie steunt op bewust onjuiste gegevens of onvergeeflijke fouten vanwege het centrum, dan vordert het bestuur het onterecht betaalde bedrag in een keer terug en zijn er van rechtswege verwijlinteresten verschuldigd vanaf de datum van opstelling van de subsidierekening.
In dit geval overhandigt het bestuur aan het Collegelid een voorstel tot opening van de procedure tot intrekking van de erkenning. Over dit voorstel wordt beslist overeenkomstig artikel 14.


HOOFDSTUK V. - Opheffingsbepalingen
Art. 51. Worden opgeheven de artikelen 42, 49, 80, 1, 81, 82, gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 mei 1965 en koninklijk besluit van 21 januari 1971, 93 en 95 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden.
Art. 52. Wordt opgeheven het ministerieel besluit van 14 mei 1965/1 houdende vaststelling van de criteria van toekenning der toelagen voor de oprichting, de vergroting of de inrichting van centra of diensten voor revalidatie, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 26 juli 1967, 25 oktober 1969, 13 februari 1978 en 24 januari 1979.
Wordt opgeheven het ministerieel besluit van 22 februari 1968 houdende vaststelling van de criteria van toekenning der toelagen voor het onderhoud van centra of diensten voor revalidatie, aangevuld door het ministerieel besluit van 9 augustus 1968, gewijzigd door de ministeriële besluiten van 21 februari 1969, 20 december 1973 en 9 december 1975.
Art. 53. Wordt opgeheven het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 25 januari 1996 tot regeling van de erkenning van de pedagogische begeleidingsstructuren van gehandicapten die studeren of een beroepsopleiding volgen, gewijzigd bij besluit van het College van 24 september 1998/2.
Art. 54. Wordt opgeheven de reglementaire beslissing van 7 februari 1964/1 tot vaststelling van de modaliteiten en voorwaarden van voorlopige erkenning van de centra of diensten voor revalidatie, gewijzigd en aangevuld door de reglementaire beslissingen van 17 december 1965, 26 januari 1968, 12 april 1968, 29 januari 1971, 28 juni 1974, 20 september 1974 en 23 september 1977.


HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen
Art. 55. De centra voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie die op 31 december 1999 erkend waren door de Franse Gemeenschapscommissie op basis van de bepalingen van het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 13 maart 1997 betreffende de centra voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie van gehandicapten die zijn opgenomen volgens de bepalingen van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 maart 1994 betreffende de sociale integratie van gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces, zoals gewijzigd, zijn erkend tot het einde van de hen door het College toegekende erkenning.
Art. 56. De pedagogische begeleidingsstructuren die op 31 december 1999 erkend waren door de Franse Gemeenschapscommissie op basis van de bepalingen van het besluit van het College van 25 januari 1996 tot regeling van de erkenning van de pedagogische begeleidingsstructuren van gehandicapten die studeren of een beroepsopleiding volgen, zoals gewijzigd, zijn erkend als pedagogische begeleidingsdiensten tot het einde van de hen door het College toegekende erkenning.
Art. 57. De centra voor revalidatie die erkend zijn door de Franse Gemeenschapscommissie op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden op de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk IV van het besluit, behouden hun erkenning gedurende ten hoogste zes maanden te rekenen vanaf die datum.
Uit dien hoofde en tijdens die periode kunnen zij subsidies krijgen gelijk aan die voorzien door het ministerieel besluit van 22 februari 1968 houdende vaststelling van de criteria van toekenning der toelagen voor het onderhoud van centra of diensten voor revalidatie, zoals gewijzigd.


HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen
Art. 58. De bedragen opgenomen in artikel 41 en 42 en in de bijlage zijn gekoppeld aan de refertegezondheidsindex van december 1999.
Vanaf 1 januari 2001 worden zij jaarlijks aangepast op 1 januari rekening houdend met de index van de consumptieprijzen bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 houdende uitvoering van de wet van 6 januari 1989 ter bescherming van het concurrentievermogen van het land, gezondheidsindex genaamd, volgens de formule :
Basisbedrag op 31.12 van het jaar n-1 x gezondheidsindex van december van het jaar n-1/gezondheidsindex van december van het jaar n-2
Art. 59. De bedragen opgenomen in artikel 40 zijn gekoppeld aan de spilindex van december 1998 en worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art. 60. De inwerkingtreding van dit besluit is vastgesteld op 1 juli 2000.
Art. 61. Het Collegelid is belast met de uitvoering van het besluit.


Brussel, op 8 juni 2000.
Namens het College van de Franse Gemeenschapscommissie :
E. TOMAS,
Voorzitter van het College.
E. ANDRE,
Collegelid belast met het Gehandicaptenbeleid.
A. HUTCHINSON,
Collegelid belast met Begroting.

Bijlage bij het besluit 99/262/D van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de erkenning van de centra voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie en van de diensten voor pedagogische begeleiding en de erkenning en subsidiëring van de centra voor revalidatie
Bedrag van de tussenkomsten
toegekend in het kader van de gespecialiseerde oriëntatieonderzoeken
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van 8 juni 2000.
Namens het College van de Franse Gemeenschapscommissie :
E. TOMAS,
Voorzitter van het College.
E. ANDRE,
Collegelid belast met het Gehandicaptenbeleid.
A. HUTCHINSON,
Collegelid belast met Begroting.

Publicatie : 2000-10-03

 

 

KlinPsy - Wetgeving